In september 2009 presenteert de VPRO op televisie, radio, internet en in de gids het project Eeuw van de stad, waarin de kwaliteit van onze steden in al hun verscheidenheid centraal staat. Als opmaat publiceerde de VPRO Gids een serie ‘Odes aan de stad’, met odes van Cees Zoon (Mexico-Stad), Carolijn Visser (Shanghai), Filip De Boeck (Kinshasa), Anil Ramdas (New Delhi), Christine Otten (Detroit) en Jaap Scholten (Budapest).

5066Afl. 2: Shanghai, opzwepend paradijs
Miljoenen Chinezen willen vanuit de provincie naar de stad om geld te verdienen, waarmee ze het lot van hun kind kunnen verbeteren. Shanghai staat nog een grote golf van mensen te wachten, die ook willen profiteren van de nieuwe welvaart.

door Carolijn Visser

Mijn eerste bezoek aan Shanghai, in 1981, was als een sprong in het verleden. Aan boord van een afgeladen veerboot voer ik voorbij de kade, de Bund, met verweerde westerse gebouwen, voormalige banken en clubs, die eraan herinnerde dat Shanghai groot gemaakt was door Amerikanen, Russen, Britten en Fransen. De avond viel, de gevels en torens hulden zich in duisternis. Eenmaal aan wal verdwenen mijn medepassagiers in de donkere najaarsavond. Ik stapte in een riksja met een gescheurde huif. Een magere man in een vaak versteld blauw Mao-pak trapte me met piepende pedalen door uitgestorven straten.

Ik logeerde in wat ooit een duur hotel was geweest. Op de vloeren lag uitgesleten parket, de kamer die me werd toegewezen moest vroeger een balzaal zijn geweest. Nu stonden er tientallen britsen in rijen opgesteld. Net zoals alle andere gasten had ik een eigen theemok bij me en net als zij zette ik die op mijn nachtkastje. Heet water was de enige luxe die het hotel verstrekte. Ik dronk mijn thee op het balkon, waar hoge openslaande deuren toegang toe gaven en hoorde schepen over de Huangpu tuffen. Ik had nog iets willen eten. Beneden was een grandioos overkoepelde eetzaal, maar de glazen klapdeuren zaten op slot. Binnen hingen kroonluchters scheef aan het plafond . Ze zagen eruit alsof ze al heel lang geen licht hadden gegeven. De dagen daarna zwierf ik door de stad en keek naar sampans op de Suzhou rivier – ze vervoerden vracht en aan boord leefden families met kinderen en grootouders. Ik belandde op binnenplaatsen waar bejaarde mannen en vrouwen, gezeten op lage bamboe krukjes mahjongg speelden. Tijdens mijn voettochten regen de straten zich aaneen met schamele huizen aan weerszijden, twee of drie overbevolkte verdiepingen boven elkaar.

De panden zagen eruit alsof ze elk moment konden verkruimelen. Alles was oud, gerafeld, sleets. Als Shanghai in die tijd van de aardbodem was verdwenen, zou de stad nergens ter wereld gemist zijn.

Consumentenparadijs
Aan boord van het schip waarin ik gedurende drie dagen de Yangtse rivier was afgezakt, hadden een paar Chinese medereizigers die Engels spraken me met glanzende ogen over Shanghai verteld. De stad die op mij een vervallen, vergeten indruk maakte, was juist het centrum van hun wereld. In hun stad of provincie was niets te krijgen. Shanghai was voor hen het consumentenparadijs.

Ik wist wat hun bestemming was. Nanjing Lu, de drukste winkelstraat van de stad, misschien wel van de hele wereld. Dag in dag uit dromden daar duizenden en duizenden Chinezen van het platteland doorheen, gekleed in groenblauwe pakken, bijna geen geluid makend op hun katoenen schoenen. Ze vergaapten zich aan de etalage van warenhuis nummer één waarin een paar Sanyo kleurentelevisies stonden. Vrouwen drukten hun neuzen tegen de ruiten van een kapsalon, waar binnen foto’s te zien waren van dames met een permanent. In de Nanjing Lu was iedereen op zoek naar schaarse goederen. In stoffenzaken zag ik vrouwen lappen uit elkaars handen trekken, in een schoenenwinkel vochten ouders om een paar kindersandalen. Voor toonbanken stonden de hele dag kluiten mensen die de aandacht probeerden te trekken van onverschillige verkoopsters.

Op afstand van de Nanjing Lu heerste een andere sfeer, die van stagnatie. Overal hingen jonge mannen rond, in parkjes, op pleinen, langs de rivier. Ze hadden niets om handen en leken ergens op te wachten. Pas achteraf begreep ik waarop: de grote Sprong Voorwaarts, die nog komen moest.

Toen ik vijf jaar later terugkeerde naar Shanghai, was de stad in beweging gekomen. Buurten waren afgebroken om de aanleg van metrolijnen mogelijk te maken, deftige hotels hadden de deuren geopend en er waren ambitieuze plannen gemaakt voor het gebied aan de andere kant van de Huangpu: daar zou het nieuwe Shanghai verrijzen. Je zag niemand meer rondlummelen, iedereen was aan het werk. En in de Nanjing Lu liepen vrouwen in kleurige jurken en op hakken.

Nieuwe middenklasse
Een paar dagen na het bloedbad op het Tiananmenplein, in mei 1989, belandde ik opnieuw in Shanghai. De ochtend dat ik aankwam, was er bijna niemand op straat. Door de straten echode wel de sirenes van politiewagens. Er werd jacht gemaakt op de leiders van de demonstraties die ook in Shanghai waren gehouden. De winkels aan de Nanjing Lu bleven die dag gesloten. Ik zag een jongen en een meisje zich verbergen in een arcade tot een auto met zwaailicht voorbij was. Alle veranderingen leken opeens schijn. De stad was in zijn vaart gestuit, de plannen waren tevergeefs gemaakt.

Die duistere herinneringen zaten in nog in mijn hoofd toen ik in 2006 ging logeren bij een Shanghaise zakenvrouw die ik via via kende. Ze woonde in een noordelijk gelegen buitenwijk en ik had geen idee wat te verwachten. De flat die ik betrad werd verlicht door ingebouwde halogeenspots en was gemeubileerd met spullen van Ikea. In de woonkamer stond een enorm televisiescherm op een glazen plaat die getorst werd door Griekse pilaren. Mijn gastvrouw beschikte over twee laptops waarmee ze in voortdurend contact stond met het internet. Haar douchecabine had veel weg van een ruimtecapsule. Van alle kanten kwamen waterstralen, borstels maakte draaiende bewegingen. Elizabeth, ik noemde mijn gastvrouw op haar verzoek bij haar Engelse naam, excuseerde zich dat het metrostation vlakbij nog niet gereed was. Dan zou ze gebruik kunnen maken van het grootste ondergrondse net ter wereld. Elizabeths flat en manier van leven was niets bijzonders, ontdekte ik, ze behoorde tot de nieuwe middenklasse. Zoals zij leefde, leefden zoveel anderen.

Was dit dezelfde stad waar ik voor elke maaltijd lang had lopen zoeken naar een restaurant waar eindelijk plaats was? In de omgeving van Elizabeths flat konden we nu kiezen uit Koreaanse, Japanse en Kantonese gelegenheden waar we bediend werden door jonge mensen die mijn gastvrouw ‘immigranten’ noemde. Ze kon aan hun accent horen uit welke streek ze kwamen.

Spijkerbroeken naaien
Tijdens ons zondags winkeluitje kwamen we nog meer ‘immigranten’ tegen op de Nanjing Lu, inmiddels een straat met warenhuizen van vele verdiepingen. Elizabeth wees ze aan. Ze zag aan hun kleding, hun haar en hun manier van lopen dat ze van buiten kwamen.

Jonge vrouwen die in Shanghaise fabrieken werkten, mannen die door de week op bouwsteigers stonden. Vandaag waren ze even uit. Nog steeds stroomden Chinezen uit de provincie door de Nanjing Lu om zich te vergapen aan alles wat te krijgen was.

Ik vertelde Elizabeth over een Nederlandse documentaire waarin een jonge vrouw, die naar Shanghai was gekomen, geïnterviewd werd. Ze had haar kind bij haar moeder achter gelaten en verdiende nu het equivalent van honderd euro per maand met spijkerbroeken naaien. De Nederlandse interviewer vroeg haar of ze niet beter thuis had kunnen blijven. Nu zag ze haar kind niet opgroeien en wat had ze aan dat kleine beetje geld? Elizabeth keek me niet begrijpend aan. ‘Van dat geld kan ze haar kind een goede opleiding geven,’ reageerde ze.

In de provincie bevonden zich nog miljoenen Chinezen die dat ook wilden: naar Shanghai gaan om geld te verdienen waarmee ze het lot van hun kind konden verbeteren. Een grote golf van mensen viel nog te verwachten die ook wilden profiteren van de nieuwe welvaart.

‘Wij Shanghainezen worden een minderheid,’ observeerde Elizabeth. Het Shanghais, een taal die sterk verschilt van het Mandarijn, was niet meer vaak te horen in de stad. Elizabeth sprak het alleen nog met haar familieleden.

Energie
Onlangs was ik weer in Shanghai. Elizabeth en ik zagen vanuit een restaurant op een zevende verdieping aan de Bund de neonverlichting opgloeien. Alle westerse gebouwen aan de kade, tegenwoordig tot in de puntjes gerestaureerd, kleurden roze, geel en groen. Aan de overkant schitterde het nieuwe Shanghai: de bollen van de driebenige televisietoren kleurden paars en kregen knipperende spikkels, alsof het gevaarte elk moment kon opstijgen. De Aurora-torenflat, zojuist nog een onopvallende zwarte doos, veranderde in een televisiescherm van tientallen meters hoog waarop exotische bloemen en vogels elkaar afwisselden. Beneden op de promenade langs de Huangpu stond een menigte mensen naar het spektakel te kijken. Toen er ook nog vanaf een schip op de rivier vuurwerk werd afgeschoten, steeg er een verrukte kreet op uit het publiek. Rode en groene ballen schoten de lucht in. Elizabeth en ik hingen over de balustrade om goed te kunnen zien. Sinds ik in Shanghai was realiseerde ik me, was ik harder gaan lopen. De energie die elke dag vrijkwam in deze stad, had iets opzwepend. Wie de Shanghainezen wilde bijhouden, moest zich haasten. Europa kwam me nu voor als een vermoeid en oud werelddeel. De toekomst, die was hier.

Carolijn VisserSchrijfster en journalist Carolijn Visser (Leiden, 1956) reist voor haar boeken naar plekken die nog niet door het massatoerisme zijn ontdekt. Reizen en schrijven zijn voor haar onlosmakelijk met elkaar verbonden. Haar debuut Grijs China, dat ze op haar 26ste schreef, geeft een persoonlijke beeld van het China dat ze tijdens haar reis leerde kennen. Ze geeft daarbij veel aandacht aan mensen uit de onderste lagen van de samenleving. In een interview liet ze weten: ‘Ik wil altijd benadrukken hoe waanzinnig veel kanten er aan een zaak zitten, dat vind ik interessant.’ In haar laatste boek Shanghai skyline, eerder dit jaar genomineerd voor de VPRO Bob den Uyl Prijs, beschrijft zij de veranderingen in Shanghai, waar zij twee jaar gewoond heeft.