In september 2009 presenteert de VPRO op televisie, radio, internet en in de gids het project Eeuw van de stad, waarin de kwaliteit van onze steden in al hun verscheidenheid centraal staat. Als opmaat publiceerde de VPRO Gids een serie ‘Odes aan de stad’, met odes van Cees Zoon (Mexico-Stad), Carolijn Visser (Shanghai), Filip De Boeck (Kinshasa), Anil Ramdas (New Delhi), Christine Otten (Detroit) en Jaap Scholten (Budapest).

5070Afl . 3: Kinshasa, dicht bij de waanzin
Kinshasa barst uit zijn voegen. In 1960, toen de Congolese hoofdstad nog Leopoldstad heette, telde de stad 400.000 inwoners. Vandaag is dat aantal opgelopen tot minstens zeven miljoen.

door Filip De Boeck

Hoe kan een ode aan Kinshasa iets anders zijn dan een ode aan het hiaat? ‘Er zijn steden en steden,’ zegt mijn vriend Vincent Lombume, een schrijver uit Kinshasa. ‘Er zijn steden die je in stilte vermoordt, steden waar je van houdt, en steden waaraan je elke dag opnieuw geboorte geeft. Er is de stad die je in je draagt; er is de gebouwde stad, en de stad die alleen maar in je dromen bestaat. Kinshasa is een moederschoot, ze heeft me voortgebracht. Je mag niet spuwen op de moeder, op de vrouw. Je moet ze nemen zoals ze is omdat je van haar houdt. En het afval, de hondenkrengen die rotten in de straten, die moet je erbij nemen. Ik zeg niet dat je je moet neerleggen bij die wegrottende hond. Maar je kan niet anders dan vaststellen dat die honden rotten in het zicht en met het medeweten van iedereen.’

Kinshasa laat zich al te gemakkelijk samenvatten als sloppenwijk, honger, armoede, analfabetisme, marginalisering. Net voor de onfhankelijkheid in 1960, toen Kinshasa nog Leopoldstad heette, telde de stad 400.000 inwoners. Vandaag is dat aantal opgelopen tot minstens zeven miljoen. De demografische explosie is de laatste jaren nog toegenomen door de oorlog en de onveiligheid, die maken dat mensen het Congolese binnenland ontvluchten om zich in veiligheid te stellen in de stad. Kinshasa barst dan ook uit zijn voegen, en deint alsmaar meer uit..

Het is in de periferie van het vroegere Leopoldstad dat de stad zichzelf heruitvindt: geografisch weg van het koloniale hart van de stad, maar tegelijk ook weg van de mentale ruimte van het kolonialisme, zijn taal (het Frans), en zijn vaak vervreemdend model van moderniteit.

Verrotting
Lemba Terminus, een kruispunt in een van de wijken die in de jaren ’50 door de Belgen werd ontworpen. Het oorspronkelijk stratenplan is nog vaagweg herkenbaar, maar veel van de woningen hebben een drastische transformatie ondergaan. Ooit ontworpen als bescheiden eengezinswoningen, heeft het leven in het postkoloniale Kinshasa die keurige plannen voor wat toen modelwijken van sociale woningbouw waren allang doorkruist en ingepalmd, vanuit dynamieken waarmee de oorspronkelijke Belgische bouwheren nooit rekening hebben gehouden. Op het kruispunt zelf krioelt het van de mensen. Af en aan rijden taxibusjes en tetanos, de alomtegenwoordige kleine Toyota Corolla’s die in de hele stad dienst doen als taxi. In een ver verleden geel gespoten, zijn die autootjes nu meestal afgetakeld tot een schurftig omhulsel van roestig bruin, vaak letterlijk bijeen gehouden door eindjes touw en ijzerdraad. In het kielzog van elke aanrijdende en vertrekkende auto volgt een eb en vloed van lichamen, een golf die elke stoppende wagen omspoelt, op zoek naar transport, om daarna weer terug uit elkaar te spatten als blijkt dat de taxi in kwestie al is volgestouwd met mensen. Dit is het fysieke leven van wat crisis concreet betekent: een onthutsende geografie van falende infrastructuur, een spectaculaire architectuur van verval, van verrotting, van een vuile stad in verwording, waar de uitlaatgassen en het stof van de kapot gereden asfaltwegen naar adem doen snakken, waar de openbare ruimte bezaaid is met afval, waar de penetrante geur van ontbinding opstijgt uit de dichtgeslibde rioleringen, waar stadswijken wegspoelen na elke regenbui, waar alle voorwerpen worden gebruikt tot lang na de houdbaarheidsdatum, waar dingen en gebouwen smoezelig zijn geworden, betast en bepoteld door grijpgrage handen, als een uitgeleefd huis waarin gedurende veel te lange tijd een veel te groot gezin heeft gewoond.

Improvisatie
Dit niveau van falende infrastructuur, van afwezigheid, schaarste, armoede en tekort is heel bepalend voor het leven in deze stad. Het voedt ook de migratiedrift die Kinshasa kenmerkt. Kinshasa is allang geen homogene geografische entiteit meer. Deze stad is als een splinterbom ontploft, en de splinters kwamen overal ter wereld terecht. Zo bestaat Kinshasa ook in Brussel, Parijs of New York. De mogelijkheid van een ontsnappingsroute naar een ‘elders’ houdt bij vele inwoners het verlangen levend om te ontkomen aan de tentakels van deze monsterstad waar leven zich vaak reduceert tot overleven. Voor de meesten blijft de diaspora echter een wensdroom.

En toch gaan achter het ruïneuze stadslandschap ook andere dynamieken schuil. Voorbij dat eerste niveau van grijze cementblokken, roestige golfplaten, afgedankte auto’s en versleten straten, ontvouwt zich een heel gamma van meer onzichtbare, maar daarom niet minder belangrijke, handelingen die maken dat de stad bestaat. De materiële beperkingen genereren vaak nieuwe sociale relaties en verrassende mogelijkheden. Het volstaat te kijken naar de bijzondere esthetiek van herstelling en recyclage waarmee de stadsbewoners het verval ontwijken en overstijgen. Kinshasa dwingt zijn inwoners voortdurend tot improvisatie. In de confrontatie met een afwezige staat en een informele economie hebben de Kinois die improvisatie verheven tot een kunst. Elke dag wordt het hiaat tussen woord en daad, tussen idee en uitvoering, al improviserend opgevuld. En één van de basiselementen van die improvisatie is humor. Zelfs al is Kinshasa Kin kiadi, ‘de stad van droefenis’, het is ook steeds Kin kiesse, Kin la joie, een citadel gebouwd ‘tijdens een nacht van de lach’, zoals Vincent Lombume het verwoordt . En die lach vormt ook het sociale cement op de plaatsen waar mensen elkaar ontmoeten: op de markt, in de straat, de talloze bars en zelfs de vele pinksterkerken die als paddenstoelen uit de grond schieten. Het is op die plaatsen van ontmoeting, en dwars door de relaties en dynamieken van haar bewoners, dat de stad haar materiële beperkingen overstijgt.

Overleven
Maar bovenal is Kinshasa een lijfelijke stad. Wanneer het cement afbrokkelt, valt de stad terug op die meer fundamentele bouwsteen: het menselijke lichaam. Al ben je nog zo arm, je bezit altijd het huis dat je eigen lichaam is. Het loutere feit dat er zo veel lichamen samen bewegen, werken, eten, drinken, vrijen, bidden, dansen en lijden geeft Kinshasa zijn eigen, vaak koortsachtige, ritme. Het lichaam legt ook zijn eigen maat op aan de stad. Het lichaam is één van de weinige plaatsen waarin de rauwe functionaliteit van het leven als louter overleven, als louter buik, of louter fallus, kan overstegen worden. Kinois steken veel energie in dat overleven, in het voeden, kleden en helen van hun lichaam, maar ze hebben er nog veel meer voor over om van hun lichaam een baken van schoonheid en perfectie te maken. Vrouwen zijn eindeloos bezig zichzelf te tooien of te transformeren, met pruiken, kleren, schoonheidsproducten die de huid blanker maken, of hormonale preparaten die dikker maken (een schoonheidsideaal in het land van de hongerigen). Ook mannen ontwerpen een echte cultus van de lichamelijke elegantie, ondermeer in de Sape, een acroniem voor Société des ambianceurs et des personnes élégantes. Ontstaan in het begin van de jaren ’80 rond de figuur van zanger Papa Wemba, escaleerde deze beweging in regelrechte fashiontoernooien waarbij jongeren elkaar probeerden te overtroeven met hun Europese haute couture kledij, en waarbij Versace, Paco Rabane, Jean-Paul Gaultier, Weston en andere Dolce & Gabana’s als halfgoden werden vereerd. Het fysieke lichaam bepaalt dus in hoge mate het ritme van het sociale lichaam. Meer nog dan in het Parijs van Proust, is Kinshasa een stad van flaneurs, een zeer trotse en sensuele stad, waar men door de straten wandelt om te zien, maar vooral om gezien te worden. En de toeschouwers zitten nooit verlegen om commentaar over de outfit van de passant, de wijze waarop een vrouw, schijnbaar achteloos, haar paan weer vastknoopt in het voorbijgaan, of de manier waarop haar lichaam zich toont in al zijn kinoiseries: de langzaam roterende billen (evunda, ‘de goed gevulde carrosserie’); de ideale benen (mipende ya milangi, de vorm van een omgekeerd bierfl esje); de manier waarop zelfverzekerheid wordt gespeeld, de handen nadrukkelijk in de zij; of nog het aantal plooien in een vrouwenhals (kingo mwambe, een teken van grote schoonheid)… Kortom: je sociale huid, de manier waarop je je weet te tonen op het schouwtoneel van de straat, vormt in grote mate ook je sociale kapitaal, het sociale gewicht dat in staat stelt om een plaats in te nemen, een identiteit te verwerven en te bestaan in de publieke ruimte van de stad.

Onrust
In de collectieve stedelijke verbeelding is het geslacht van de stad vrouwelijk. Kinshasa spreekt vaak over zichzelf als een gigantisch vrouwelijk lichaam: een moeder, of een verleidster, en soms zelfs een hoer, de benen wijd gespreid, vol beloften die de stedeling voortdurend prikkelen en in staat van opwinding brengen. De manier om je in dit vrouwenlichaam te gedragen, om er bezit van te nemen, zal dan ook een buitensporig mannelijke manier zijn. Om je in de stad staande te houden moet je bovenal een goede jager zijn. In het collectieve stadsimaginaire wordt Kinshasa vaak gedacht als een woud, en in deze urban jungle zijn de nieuwe fi guren van succes meteen ook de beste ‘jagers’: politici, muzikanten, en predikanten. Zij staan model voor sociaal welslagen. Maar hun succes is tegelijkertijd zeer vluchtig. Het ostentatief consumeren, spenderen en ejaculeren waarmee maatschappelijk welslagen in een stad als Kinshasa zich laat meten, gebeurt vaak in één krachtige geste, waarin alles wordt verbrast en opgebruikt. De vervulling van dat kloppend verlangen situeert zich in het momentane, waarin morgen veraf is, waar het verleden geen een ankerpunt aanreikt en waarin alleen het onmiddellijke nu enige houvast biedt voor degene die dat ogenblik weet te vangen en te benutten. Het maakt de stad tot een plaats van grote onrust. Het komen en gaan, het duwen en trekken van de stad dwingt de stedeling tot een permanente erectie, een eindeloze zoektocht naar bevrediging doorheen het exces. Het leven in Kinshasa draait voortdurend rond de vervulling van alle beloften die de stad maakt, maar zelden of nooit waarmaakt. Ondanks alle dromen van potentie die de stad oproept, castreert ze de stedeling ook telkens weer, en herleidt ze hem tot eunuch.

Nacht
Daarnaast is er de tijd van de nacht. Kinshasa begint en eindigt ’s nachts. De nacht is de spiegel waarin de stad zichzelf bekijkt, droomt en ontvouwt. Tijdens de nacht realiseert zich, al was het maar voor even en als in een droom, wat tijdens de dag onmogelijk is. De band met de realiteit en met de rede wordt daarbij soms heel dun. De nacht introduceert tevens Kinshasa’s schaduwzijde: de dood en het occulte, twee niveau’s die meer dan ooit aanwezig zijn. Dit alles brengt de stad dicht bij de waanzin. De stad is steeds alles en het tegendeel daarvan. De stad is tegelijkertijd creatie en destructie, erectie en impotentie, rijk en arm, feest en dood, open en gesloten. De stad is, om nog eens de woorden van Vincent Lombume te lenen, ‘vice versa’. De stad is multipel, ze is steeds en/en, nooit of/ of. Het maakt van deze stad ook een schizofrene ruimte, waarin grenzen vaag zijn en voortdurend worden overschreden.

Maar hoe op dagelijkse basis te leven in de waanzin? Vaak lijkt het woord, naast het lichaam, het enige wapen dat de stedeling tot zijn beschikking heeft om zich te wapenen tegen de stad, en er tezelfdertijd een nieuwe betekenis aan te geven. Kinois hebben een eigen specifi eke taal ontworpen om te stad te veroveren, te bedwingen, te bouwen, te begrijpen, te beheersen, en te herdenken. In deze stad, waar de gebeden van miljoenen gelovigen voortdurend worden opgeladen met de kracht van het Goddelijke Woord, is het trouwens niet zo moeilijk om te geloven in de pure kracht van taal om de stad opnieuw te verbeelden. In die zin is Kinshasa een gesproken stad, een mantrische stad, een onvermoeibaar gebed. Elke dag opnieuw vinden de inwoners van Kinshasa de stad uit in hun taal, bezweren ze haar, en maken haar telkens weer opnieuw, zolang er ellende bestaat en zolang er mensen zijn die willen samenkomen.

Filip de BoeckFilip De Boeck (Antwerpen, 1961) is antropoloog. Zijn interesse gaat uit naar de manier waarop miljoenensteden in Afrika ondanks armoede toch blijven functioneren. Samen met de fotografe Marie-Françoise Plissart publiceerde hij Kinshasa. Tales of the Invisible City (Ludion, 2004), een originele analyse van de hoofdstad van Congo. Tijdens zijn doctoraat verbleef De Boeck twee jaar in een Congolees dorp van tweehonderd inwoners. Hij leerde hun taal en deed onderzoek op het gebied van traditionele medische antropologie. Momenteel werkt hij aan een documentaire over een begraafplaats in Kinshasa. De film zal worden uitgebracht in het najaar. De Boeck is als hoogleraar verbonden aan het Instituut voor Antropologie in Afrika van de Universiteit van Leuven.