In september 2009 presenteert de VPRO op televisie, radio, internet en in de gids het project Eeuw van de stad, waarin de kwaliteit van onze steden in al hun verscheidenheid centraal staat. Als opmaat publiceerde de VPRO Gids een serie ‘Odes aan de stad’, met odes van Cees Zoon (Mexico-Stad), Carolijn Visser (Shanghai), Filip De Boeck (Kinshasa), Anil Ramdas (New Delhi), Christine Otten (Detroit) en Jaap Scholten (Budapest).

5073Afl. 4: New Delhi, leven en laten leven
New Delhi komt razend snel in de toekomst. In 2000 groeide de stad die berekend was op zo’n twee miljoen inwoners tot ongeveer twaalf miljoen. Zestien miljoen, zeggen sommigen – het is niet na te gaan.

door Anil Ramdas

Hoe lang heeft New Delhi nodig gehad om het charmante rommeltje te worden dat het nu is? Maar een kwart eeuw. Toen ik er begin jaren ’80 was, trof ik een grote, lege hoofdstad aan. Zomaar aangelegd in de woestijn, door de Britten, omdat ze iets centraler wilden liggen dan in de uiterst oostelijke havenstad Calcutta. Kolonisators willen graag hun legers zo snel mogelijk alle richtingen op kunnen sturen, vandaar.

Maar het was een lege bestuursstad, met brede, stille wegen, prachtige witte villa’s van parlementariërs die zo nu en dan voorbij stoven in hun Ambassadors, een namaak-Morris van staalplaat die zeventig kilometer per uur haalde, maar wel met zwaailicht. Het was een koddig gezicht.

Ik spreek niet helemaal de waarheid: een klein deel van de stad was al flink dicht bevolkt: het roemruchte Old Delhi, waar vroeger allemaal moslims woonden. Na de scheiding van India en Pakistan, de zogeheten Great Partition, werden de hindoes massaal uit het Pakistaanse gedeelte verdreven, en waar gingen ze allemaal naar toe? Juist ja, Old Delhi. Kon dat ooit goed gaan? Nee, zou je denken. Ja, naar later bleek. Old Delhi is een moslimenclave met steeds meer hindoes die rancuneuze gevoelens koesterden. En toch ging het goed. De geschiedenis kan ons soms een flinke loer draaien.

Echte chaos
Old Delhi, moet ik helaas toegeven, jaagt me desondanks angst aan. Ik ben in alle keren dat ik in India was, zelfs toen ik er drie jaar was gevestigd als correspondent van NRC Handelsblad, maar een dozijn of wat keren geweest. Telkens vanwege bezoekers die een toeristisch uitstapje wilden maken naar de echte chaos van de derde wereld. Ik moest me daar moreel op voorbereiden, een nacht ervoor, en de halve dag erna herstellen – wat overdreven neurotisch klinkt, maar dan heeft u een idee. Je gaat met eigen vervoer naar de rand van Old Delhi, een parkeerplaats nabij het Rode Fort, waar tijdens mijn verblijf in India een flinke aanslag werd gepleegd door schietende moslims. Maar die kwamen uit Kashmir en de aanslag werd zo onhandig uitgevoerd dat de aanwezige politieagenten en militairen uit pure verbazing de terroristen lieten ontsnappen. Ik bedoel: wie komt er in hemelsnaam op het idee om een toegangskaartje voor het Rode Fort te kopen – het fort is een beroemde attractie, vraag me niet waarom – met sporttassen om de schouders, om daar automatische geweren uit te halen en te schieten op de rondkuierende bewakers.

Afijn, maar daar kwam mijn nervositeit niet uit voort. Als je je auto geparkeerd had, moest je op een fietsriksha om Old Delhi binnen te gaan. Rare vinding, die fietsriksha: niemand is op het idee gekomen om er versnellingen op aan te brengen, waardoor de magere bestuurder met zijn gewicht van veertig kilo op de pedalen moet gaan staan om dat ding langzaam vooruit te krijgen. En om de een of andere reden is de zitting voor de twee passagiers (ja, dat is er één te veel, maar zo is dat geregeld) altijd een beetje schuin naar voren, zodat je erg je best moet doen om niet pardoes op de hardwerkende fietser te vallen.

En dan kom je in Old Delhi. Met de gewaarwording dat je in een mierennest bent beland. Een krioelende massa van honderdduizenden mensen die allemaal een bezigheid lijken te hebben, meestal is dat een gesjouw met spullen op kleine karretjes: koelkasten, meubels, onderdelen voor de Ambassadors, want die worden allemaal in Old Delhi gerepareerd. Je krijgt een tour door de wijk waar geen eind aan komt, en soms willen de bezoekers afstappen om foto’s te maken. Op dat moment is het een gescheld van jewelste van mensen die voor hun werk door de smalle stegen moeten, en zit ik op het bankje na te denken over wat er nu hier te fotograferen valt, maar verder is het een uiterst vredig samenzijn van mensen die als ratten in een kooi gevangen zitten. Ratten zouden elkaar te lijf gaan, maar dit zijn Indiërs, immer vredig.

Woestijnstad
Terwijl Old Delhi een beetje Middeleeuwen is, komt New Delhi razend snel in de toekomst. In nog geen kwart eeuw, zoals ik zei. In 2000 waren er haast geen Ambassadors meer en groeide de stad die berekend was op zo’n twee miljoen inwoners tot ongeveer twaalf miljoen.

Zestien miljoen zeggen sommigen, het is niet na te gaan. En dat is, wonderlijk genoeg, buitengewoon komisch.

Toen ik er kwam, in 2000, om er drie tot vier jaar te wonen, wilde ik alles zo snel mogelijk geregeld hebben: een huis, een internationale school voor de kinderen, een vervoermiddel – ik wilde eigenlijk een Ambassador, maar dat werd me streng afgeraden. Waarom? Zo’n plaatstalen auto leek me tamelijk veilig. Maar dat was het punt niet. Het probleem was de luchtventilatie. Die voerde de warme lucht van de motor naar binnen, en dan zat je in een auto op de grilstand. Niet helemaal een goed idee voor de stad waar het in de zomer zo rond de veertig graden zindert.

Met die hitte van de woestijnstad had ik trouwens geen rekening gehouden toen ik het huis huurde. Ik nam een makelaar in de arm aan wie ik vertelde dat ik een ruim huis wilde, vanwege de mogelijke bezoekers uit Nederland, studeerruimte voor de kinderen, werkruimte voor mezelf, en hij liet me een schitterende woning zien in een wijk voor Indiase intellectuelen. Allemaal notarissen en artsen om mij heen, en nog net betaalbaar. Aan de overkant van de brede weg was het onbetaalbaar. Daar woonden de echte expats, die een huur konden neertellen van wel tweeduizend euro. Ik zou elf honderd euro kwijt zijn. Ook niet mis, maar het was wel lager.

De makelaar vroeg nog of ik zeker wist dat ik een huis met acht kamers wilde. O ja man, dit is ideaal. De contracten werden getekend, ik nam mijn intrek, om te merken dat ook het huis op de grilstand stond. Ik woonde in één grote Ambassador.

Airco’s! Ventilatoren! Dit was de 21ste eeuw nietwaar, de techniek had niet stil gestaan, klimaatbeheersing behoorde tot de mogelijkheden.

Kwamen ze aan met acht van die bakken, de airco’s, en ik vond de twaalf arbeiders die daarmee in de weer waren (ramen open zagen!) iets te laconiek, en ik begreep pas later waarom. Waar haal je de stroom vandaan voor die toestellen? De stroom valt in de zomermaanden soms tien uur per dag uit, omdat iedereen in deze komisch volle stad airco’s installeert, terwijl de stroomvoorziening daar niet op berekend is.

Tuinman
Genoeg geklaagd. Ik zal niet beginnen over de gasflessen om mee te koken, die verdomde flessen zijn buitengewoon schaars, en de Nederlandse ambassadeur moest mij een briefje meegeven waarin de Nederlandse Ambassade zich garant stelde voor de flessen, voor als ik stiekem maakte dat ik wegkwam met die flessen in de koffer. Ik ga ook niet beginnen over de telefoonaansluiting, die ik pas maanden later kreeg, en die om de twee weken uitviel, omdat de plaatselijke telefoonmonteur zoveel dochters had. Die moesten namelijk allemaal trouwen, waar veel geld voor nodig was. Dus maakte hij de aansluiting eigenhandig onklaar, waardoor de klant flink moest opdraaien voor de ‘reparatie’. En dan was er de krantenbezorger die mijn brievenbus niet kon vinden en de hele stapel op de grond smeet, en de tuinman: drie jaar lang heb ik een tuinman betaald, en pas toen ontdekte ik dat ik geen tuin had. Maar het was een aardige man, dus hield ik hem aan. Een buitenlander heeft nu eenmaal speciale verplichtingen.

Voor de rest is Delhi een uiterst vredige stad. Behalve zo nu en dan een aanslag, gebeurt er nooit wat. Vooruitkomen in het verkeer is schier onmogelijk, omdat er nu veel te veel auto’s zijn op veel te smalle wegen – ik had ze ooit zo breed gevonden. Nu deed je over iedere afstand ongeveer een uur. Maar niemand die zich daarover opwond. Delhi is een opwindende stad omdat niemand zich ergens boos over maakt. Begint u woest te toeteren omdat u voor wilt dringen? Gaat uw gang, u heeft kennelijk haast. Leven en laten leven.

Beschaving
Die vriendelijkheid van die twaalf tot zestien miljoen mensen in die almaar uitdijende stad zal ik nooit vergeten. Beschaving is hier uitgevonden. Beschaving als in behulpzaamheid. Je kan in deze oerrommelige stad bijvoorbeeld nooit verdwalen. Altijd is er wel iemand die je de weg wijst. Er is niet genoeg stroom, er is niet genoeg water, in de winter wordt het tien graden in huis omdat er geen verwarming is, het woestijnstof dringt je computers binnen, waardoor je elk half jaar nieuwe moet kopen. Maar de mensen zijn ongelooflijk vriendelijk. Het is een dagtaak om de meest vanzelfsprekende voorzieningen werkend te houden, de elektricien, de man voor de waterpomp, de man die een meubel moet bezorgen en het midden op de grote drukke weg van zijn fietskar laat vallen; en toch, alles wordt op den duur geregeld. Je krijgt altijd alles voor elkaar als je je maar niet boos maakt. Een enkele glimlach, een gebaar van vriendelijkheid, en je gaat slapen met het geruste gevoel dat ze hier de beschaving hebben uitgevonden. Nu nog alleen maar stroom en water.

Anil RamdasSchrijver en journalist Anil Ramdas (Paramaribo, 1958) vertrok in 1975 naar Nederland om in Amsterdam Sociale Geografie te studeren. Tijdens zijn veelzijdige carrière was hij onder meer werkzaam als redacteur voor de Groene Amsterdammer en presentator voor de VPRO. Van 2000 tot 2003 werkte hij vanuit India als buitenlandcorrespondent voor NRC Handelsblad. Ook was hij van 2003 tot 2005 directeur van De Balie in Amsterdam.  Daarna ging hij voor een jaar naar Suriname en schreef het boek Paramaribo. De vrolijkste stad in de jungle, een indrukwekkend verslag van zijn verblijf in Suriname. Ramdas werkt momenteel als columnist voor NRC Handelsblad.