Als opmaat van het project Eeuw van de stad, publiceerde de VPRO Gids een serie ‘Odes aan de stad’, met odes van Cees Zoon (Mexico-Stad), Carolijn Visser (Shanghai), Filip De Boeck (Kinshasa), Anil Ramdas (New Delhi), Jaap Scholten (Budapest) en Christine Otten met deze bijdrage over Detroit. Meer over  Detroit en de effecten van de crisis VPRO radiodocumentaire ‘Detroit, een stad in vrije val’ die onlangs nog de ‘Special Prize Quirinale’ won. 

5077Afl. 5: Detroit, prairie van asfalt
Detroit is een zwarte stad. De bakermat van de burgerrechtenbeweging, van de soulmuziek en van de techno, die met hart en ziel verbonden is met het industriële karakter van deze ooit glorieuze autostad.

door Christine Otten
De mooiste en droevigste plek in heel Detroit is een parkeergarage, midden in de stad. Hij ligt pal achter het Michigan Building waar Henry Ford ooit zijn eerste automobiel ontwierp, vanuit het gebouw kun je via een achterdeur zo de garage in lopen. Mijn goede vriend Khalid El Hakim, Detroiter in hart en nieren, gaat me voor.

‘Moet je kijken,’ fluistert hij, alsof we een verboden ruimte betreden. Ik weet niet wat me overkomt. We staan in een geasfalteerd theater, er staan een paar auto’s geparkeerd, maar voor de rest herinnert alles hier aan glamour en cultuur. Het met goudkleurige verf bespoten koepelplafond, de glazen wand naast het podium, de dieprode muren. De achterwand is eruit geslagen en je kijkt zo de stad in. De lucht is paars en rose, het is voor in de avond. Even verbeeld ik me muziek te horen, de hoge ijle stem van een piepjonge Diana Ross… before you break my heart… maar dan besef ik dat het vogels zijn die op een balk in het plafond zitten en vanuit hun schuilplaats zingen.

‘Jezus,’ zucht ik. De rillingen lopen mij over de rug. Alsof ik plotseling in de ziel van deze lelijke rauwe vervallen rotstad kijk, de schoonheid zie die erin verborgen ligt.

‘Dit was vroeger The Michigan Palace,’zegt Khalid. ‘Hier traden alle sterren van Motown op. The Four Tops, Marvin Gaye, The Supremes. Eminem heeft hier een scène van zijn film 8 Mile opgenomen, je weet wel, wanneer hij en die andere rapper elkaar gaan dissen. Ik denk erover hier nachtconcerten te organiseren; dan staan er toch geen auto’s.’

Ik heb een ambivalente relatie met Detroit. Een ramp dreef me er ooit naar toe. Ik was toevallig op Manhattan toen Al Qaida op 11 september 2001 met twee vliegtuigen het wtc doorboorde. Ik kende niemand in New York. Ik zou onderzoek gaan doen voor mijn roman De laatste dichters, over de militante zwarte dichtersgroep The Last Poets. Gelukkig belde een van die Last Poets, Umar Bin Hassan, me op. ‘Neem de bus naar Detroit, dan haal ik je op. Ben je weg uit die puinzooi.’ Zo belandde ik in één klap in een andere wereld en in een andere cultuur.

Murder capital
Detroit is een zwarte stad. In 1967, terwijl Martha and the Vandellas’ ‘Dancing in the Streets’ op nummer één van de hitlijsten stond, braken bloedige rassenrellen uit in Detroit en ontvluchtten de meeste blanken de stad. Detroit is de bakermat van de burgerrechtenbeweging, van de soulmuziek en het Motownlabel van Berry Gordy, en van de techno, rauwe ijzerachtige muziek die met hart en ziel verbonden is met het industriële karakter van deze ooit zo glorieuze autostad.

Voor mij was Detroit destijds dus een vluchtoord. Een veilige plek in een extreem onveilige tijd. Ironisch genoeg, want Detroit is murder capital one in Amerika, maar dat wist ik toen nog niet. Natuurlijk registreerde ik de armoede, de vervallen en uitgebrande huizen in de buurt waar ik logeerde, de gevaarlijke lege straten, de drankwinkels, de daklozenpensions en dichtgetimmerde bibliotheken. Maar ik leerde ook Khalid kennen, zijn Brits-Nigeriaanse vriendin Tania McGee, Leni Sinclair, een blanke oudere Duitse fotografe die ooit de ddr was ontvlucht op zoek naar avontuur en jazz, en Paul Lee, Tania’s buurman, de historicus die Spike Lee adviseerde tijdens de opnames van zijn film over Malcolm X. Met andere woorden: ik vond er vrienden en een home away from home. En inmiddels ben ik talloze keren terug geweest en heb ik de sleutel van Tania’s huis in Highland Park (de buurt in Detroit waar Clint Eastwoods laatste film Gran Torino speelt; Tania’s dochtertje Monique kwam hem tegen toen ze op haar fietsje rondreed).

Maar nooit heb ik dat tweeslachtige gevoel over de stad van me af kunnen schudden. Detroit is een stad die op je drukt en tegelijkertijd een duistere aantrekkingkracht heeft. Een stad als een bluessong, of een soulballad als ‘Change is Gonna Come’ van Sam Cooke. Wanneer je op een zomeravond over Woodward rijdt, de brede verkeersader die de stad als een troebele rivier doormidden klieft, en in de verte zie je de zon paars oranje rood ondergaan achter de blinkende torens in het zakencentrum, terwijl je links en rechts van je hoeren en daklozen langs dichtgetimmerde winkels en clubs ziet slenteren, daartussendoor gewone mooie huizen met veranda’s vol bloeiende planten, hier en daar houden mensen gezellig een barbecue… op zo’n avond is het alsof je over een prairie rijdt, een post-industriële prairie van asfalt en steen. Amerikaanser kan bijna niet. En wanneer je goed luistert, hoor je Cooke’s stem, die ingehouden snik. ‘I was born by the river… in a little tent…and just like that river… I’ve been running ever since… It’s been a long, long time coming… but I know… change is gonna come… Die poëtische mengeling van pijn, woede, verlangen, vitaliteit, frustratie en ultieme schoonheid waar de hele indrukwekkende geschiedenis van zwarten in Amerika in doorklinkt, dat is precies waar ik het over heb. Detroit dus.

Oom Tom
Khalid lacht. ‘Ik had het kunnen weten.’ We rijden door Gratiot Avenue, ooit het hart van Black Bottom, een levendige zwarte uitgaansbuurt, nu een lelijk getto. Dikke regendruppels spatten uiteen tegen de voorruit. Het is bloedheet in de auto. De lucht is plotseling inktzwart. ‘Tornadoweer,’ mompelt Khalid (38). Hij is leraar op een school voor moeilijk opvoedbare kinderen. Oprichter van het eerste mobiele museum voor Afro-Amerikaanse memorabilia en promotor van Detroit rappers en dichters. Ooit heette hij gewoon Christopher Bell. Hij groeide op in een welvarend middenklassegezin. De eerste blanke die hij zag was zijn nanny. ‘Mijn vader verliet ons gezin voor een blanke vrouw toen ik vijf was. Hij wilde zo graag assimileren dat hij zelfs het joodse geloof aannam. Maar op den duur werd hij er gek van.’ Hij schoot zichzelf een kogel door zijn hoofd toen Khalid vijftien was. ‘Detroit was toen al aan het verpauperen. Ik zag mezelf ook als een jongen uit da hood, probeerde zelfs ook een tijdje te dealen, zoals iedereen deed.’

Khalid is een nazaat van gevluchte slaven uit het Zuiden. In het huis van zijn tante hangt een foto van Kossiah, Khalids betovergrootmoeder die als meisje van zes met haar ouders over de ijsschotsen in de Detroit River naar het vrije Canada vluchtte en daar een nieuw bestaan opbouwde in Dresden, Ontario, hetzelfde dorp waar Jossiah Henderson woonde, die model stond voor Tom, uit De negerhut van Oom Tom van Harriet Beecher Stowe. ‘Mijn hele leven werd ik doodgegooid met verhalen over slavernij en onderdrukking, maar altijd stopte het verhaal bij ons. Wij hadden geld, een mooi huis, wij waren gelukkig,’ zegt hij met ironie in zijn stem.

Knuffeldieren
Hij tikt me op de schouder, wijst naar links. ‘Kijk dan.’

We rijden door Heidelberg Street, en het is plotseling alsof alles licht wordt om ons heen. De regen is opgehouden.

Kunstenaar Tyree Guyton heeft deze buurt, vol verlaten en vervallen huizen, omgetoverd in een soort sprookjeswereld. De straten zijn bont geschilderd. De huizen beplakt met knuffeldieren, Tom & Jerry, Mickey Mouse en ander oud speelgoed. Aan een boom hangen allemaal afgetrapte schoenen aan lange draden. Op een grasveld liggen deuren uit oude auto’s, stuk voor stuk beschilderd met gezichten. ‘Faces of God’ staat erboven. Khalid straalt. ‘Tyree is een goede vriend. Net als ik houdt hij van deze stad, ondanks het verval. Als kind maakte hij de bloedige rellen mee en op dat moment besloot hij de lelijkheid om te zetten in schoonheid. Zie je het?’

Ik ben sprakeloos. Ineens besef ik waarom Detroit me zo raakt. Het is die oerveerkracht die verborgen zit onder alle rotzooi en ellende. De bereidheid en kracht om iets moois en oorspronkelijks te maken van narigheid en tegenslag, net als de blues.

Rainbow Room
De volgende ochtend komt Leni Sinclair me ophalen. De hele nacht heeft het geregend en de lucht ruikt naar bloemen en asfalt. Leni is 66. Op haar achttiende ontvluchtte ze Vahldorf, een boerendorp in de toenmalige ddr. Ze dacht dat Amerika één grote jazzclub was, want het enige wat ze kende van Amerika waren de liedjes vanBillie Holiday en Sarah Vaughn die ze op Radio Luxemburg hoorde. Ze belandde in Detroit. ‘Een grote teleurstelling, want er waren nauwelijks wolkenkrabbers. Ik kwam bij mijn Duitse familie terecht die niets van Schwarze moest hebben.’ Maar ze trouwde met hippie en mensenrechtenactivist John Sinclair. Werd fotografe en fotografeerde iedereen die er in de Amerikaanse muziek ooit toe gedaan heeft: Miles Davis, John Coltrane, Prince, Bob Marley, Iggy Pop, John Lennon, om er een paar te noemen. Nu woont ze met haar dochter Sunny en kleindochter Byonce in een arme zwarte buurt.

‘We gaan naar Belle Isle,’ zegt ze.

‘Oké.’ We rijden naar het schiereiland in de Detroit River. Een oase van groen en rust. Leni parkeert haar auto bij een strandje. Vanaf hier hebben we een perfect uitzicht op de skyline van Detroit. Zonlicht weerkaatst op de glazen torens van het General Motors gebouw. Dunne flarden nevel zweven boven het lichtblauwe water van de rivier.

‘Al zou ik geld hebben, dan nog ging ik niet weg uit Detroit,’ zegt ze verbeten. ‘Toen ik hier pas woonde leerde ik een jazzsaxofonist kennen, Marion Brown. Hij trad op in de Rainbow Room. We werden close, maar hadden nooit echt iets met elkaar. In plaats daarvan schreven we brieven waarin we elkaar over ons leven vertelden. Ik over Duitsland, de oorlog. Hij over zijn jeugd in Harlem. Door Marion ben ik me pas echt thuis gaan voelen in Amerika. Ik vond mezelf in zijn verhalen. Hier in Detroit kan ik tussen zwarten leven zonder me bewust te zijn van mijn huidskleur.’

Ze stopt. ‘Wanneer ga je weg?’

‘Morgen,’ zeg ik.

‘Dan spreken we nu af dat we de volgende keer naar de Rainbow Room gaan, okay? Die club bestaat nog steeds.’

Christine OttenChristine Otten (1961) is schrijver. Haar roman De laatste dichters (2004) werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. Haar belevenissen in Detroit verwerkte ze in de roman Als Casablanca (2008). In januari 2010 verschijnt haar nieuwe roman In wonderland.