In september 2009 presenteert de VPRO op televisie, radio, internet en in de gids het project Eeuw van de stad, waarin de kwaliteit van onze steden in al hun verscheidenheid centraal staat. Als opmaat publiceerde de VPRO Gids een serie ‘Odes aan de stad’, met odes van Cees Zoon (Mexico-Stad), Carolijn Visser (Shanghai), Filip De Boeck (Kinshasa), Anil Ramdas (New Delhi), Christine Otten (Detroit) en Jaap Scholten (Budapest).

5079Afl. 6 (slot): Boedapest, beminnelijke chaos
Boedapest werd in korte tijd van een provinciale stad een mondaine, multiculturele metropool, bewoond en bezocht door een veelheid aan volken die bijdroegen aan de explosieve groei en de rijkdom van de stad.

door Jaap Scholten

Vlak voor middernacht van Rooseveld tér over de kettingbrug rijden, met links op de heuvel het voormalige koninklijk paleis, rechts het uitbundige parlement met duizend lampen verlicht, in de verte links op de Gellert heuvel ‘de visvrouw’ (het vrijheidsbeeld met de vrouw die er uitziet alsof ze een kampioensvis de lucht in steekt) en onder je de nooit aflatende stuwende kracht van de Donau. Dat alles weerspiegeld in het zwarte water – het is een panorama dat mij iedere keer weer een geluksgevoel geeft. ’s Nachts van het laag gelegen Pest over de brug richting de zeven heuvels van Boeda rijden voelt simpelweg goed. Van de vlakte, door dit theatrale decor, de geborgenheid van de heuvels intrekken.

Boeda ligt ten westen van de Donau, Pest ten oosten. Pest waar de orthodox-christelijke wereld begint, Pest dat voelt alsof het op zandgrond gebouwd is, Pest waar het moderne Boedapest ligt, het stadsdeel dat iets meer dan een eeuw geleden uit de grond schoot, waar de boulevards door Hausmann ontworpen lijken, waar het nachtleven is: de casino’s, de bordelen en de alternatieve buitenbars, waar de winkels zijn, waar het politieke centrum van het land huist, waar de Joodse wijk is en de Griekse handelaren hun huizen bouwden, waar het achtste district de zigeunergetto’s herbergt, waar in het begin van de twintigste eeuw meer dan zeshonderd koffiehuizen stonden, waar de schrijvers, de journalisten, de politici; de Serviërs, de Roemenen, de Tsjechen, de Ruthenen, de Oekraïners, de Bosniërs, de Joden, de Swaben en de Hongaren bij elkaar kwamen.

Bouwwoede
Na de Ausgleich met Oostenrijk in 1867, en het ontstaan van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, beleefde Hongarije, en in het bijzonder Boedapest, tot de Eerste Wereldoorlog haar gouden decennia. Boedapest moet in die periode uitstekende stadsarchitecten gehad hebben, dat zij de razende bouw en de ongebreidelde dadendrang van de oude en de nieuwe Hongaren hebben weten te temmen en sturen tot de ritmische en weelderige straten die Pest kenmerken. De rijkdom die met de dubbelmonarchie kwam, de voorkeurspositie binnen het Habsburgse rijk voor de Hongaren en de afzetmarkt van tientallen miljoenen rijksgenoten, de opkomst van het nationale sentiment en de behoefte die om te zetten in bouwwerken; de drang van de nieuw opkomende middenklasse om zich te manifesteren en de aristocratie naar de kroon te steken; en de noodzaak voor die heersende klasse om haar hegemonie te tonen, bracht een bouwwoede teweeg die haar weerga in Europa nauwelijks kent. In een tijdsbestek van enkele tientallen jaren werd Pest met alle fraaie gebouwen (de opera, de dierentuin, het Szechenyi bad, het Gellert hotel, het parlement, de Andrassy ut, het nationale museum, de academie der wetenschappen, het museum van toegepaste kunsten, de beurs, de bruggen, de metro, de centrale markthallen (door Eiffel), de drie grote stations, enzovoort) uit de grond gestampt. De treinstations, tempels voor reizigers, met de enorme glazen overspanningen; het Oost station, het Noord station, het Zuid station – ja helemaal zoals met het Monopolyspel, bijna – geven aan dat Boedapest de ambitie had een wereldstad te zijn, een stad waar de lijnen uit alle windrichtingen van het rijk bijeen kwamen. Boedapest lag centraler dan Wenen in het Habsburgse Rijk van de twintigste eeuw. Boedapest werd in korte tijd van een provinciale stad een mondaine, multiculturele metropool, bewoond en bezocht door een veelheid aan volken, die in de overvloed en de euforie van het moment elkaar stimuleerden en bijdroegen aan de explosieve groei en de rijkdom van de stad.

Haastklus
Dat de stad met zo’n krankzinnige snelheid kon groeien in enkele jaren kwam mede doordat het gefinancierd werd door particulieren. De Boedapester stadsarchitecten zetten doordachte en heldere regels uit, over hoogte van gebouwen, verdiepingen, raampartijen, binnenplaatsen, trappenhuizen. Binnen die strenge regels had de eigenaar-opdrachtgever van het gebouw grote vrijheid te variëren. De gebouwen van Pest zijn voor het grootste deel dozen waar elementen tegenaan geplakt werden die de gebouwen zouden onderscheiden van die van de buren, en ze bij voorkeur overtreffen. De Zsolnay fabrieken in Pecs bakten in reusachtige ovens voor een belangrijk deel: kozijnranden, gevelversierselen, dakpannen, neppilaren. Voor een liefhebber van antieke steden kan Boedapest door dit plak- en sierwerk, architectonisch overkomen als een haastklusje zonder geschiedenis en diepgang, en het is waar: het was een haastklus met als deadline de milleniumviering van 1898. Die haastklus is geweldig gelukt. Hongaren zijn meesters in haastklusjes, het zijn geboren deadlinewerkers. Pest bestaat uit façades en die façades zijn met de Hongaarse drang tot imponeren prachtig gelukt. De schoonheid, elegantie en de grandeur van Pest, en de eenheid van idee, maken de stad tot een plezier om te zijn. De stad, op wat recente idioterieën na, klopt. Voor de diepgang, voor de geschiedenis, moet men in de Boedazijde van de stad zijn. De geschiedenis toont zich in de alom aanwezige Romeinse ruïnes, de thermen uit de Ottomaanse tijd, de burcht en de barokke huizen in Obuda. De letterlijke diepgang vindt men in de burcht, waar de huizen onder de grond meer verdiepingen tellen dan erboven. De drie of vier verdiepingen van kelders waren de reden dat aan het eind van wo ii veel Boedapesters naar de burcht vluchtten toen de Russen naderden. Mysterieus of niet, aan de Boedazijde van de stad wordt in deze tijd de voorliefde voor kelders voortgezet: het belangrijkste bij elk nieuw gebouwd huis lijkt de ondergrondse garage te zijn. Het moet te maken hebben met de lange geschiedenis van invasies door buitenlandse mogendheden – de Ottomanen, de Habsburgers, de nazi’s, de Sovjet-Russen – dat de Hongaar zo hecht aan het ondergrondse deel van zijn huis. Men kan er schuilen en vluchten, en bijkomend voordeel is dat men ongezien voor de buren of andere pottenkijkers wat dan ook het huis kan binnenbrengen. De psychologie van het stiekeme.

Schaduw
Doordat aan de Boedazijde de zeven heuvels liggen, en deze heuvels voornamelijk bestaan uit het poreuze, grillige kalksteen is deze zijde van de stad bij uitstek het schemergebied welk de natuurlijke biotoop voor de Hongaar geworden is na eeuwen van buitenlandse overheersing. De Hongaar is als een paddestoel, die het best gedijt in de schaduw. Een ieder die het zich kan permitteren verhuist dan ook naar de Boedazijde van de stad, waar het makkelijk holen hakken is in het zachte steen. Deze ingesleten, wijdverbreide aanleg voor de illegaliteit maakt dat de Boedapesters elkaar in hoge mate met rust laten (toen wij in onze straat van zes huizen kwamen wonen nodigden wij, goeiige Hollanders, de hele straat uit voor drankjes op het terras; het bleek dat er mensen waren die al veertien jaar naast elkaar woonden zonder elkaar ooit ontmoet te hebben) – en deze afstandelijkheid ervaar ik als uitermate prettig.

Wanneer je de architectuur in en rond Boedapest van de afgelopen vijftien jaar beziet, besef je dat traditie en cultuur nauwelijks bewaard zijn (tenminste niet bij de mensen die over geld beschikken) en overheidsfunctionarissen handelen als in een bananenrepubliek. Goedkeuring van plannen en het winnen van tenders heeft meestal niet met evenwicht en kwaliteit van het ontwerp te maken, maar met connecties, Cypriotische bankrekeningen, ijskasten, plasmatelevisies en auto’s voor overheidspersoneel. De villa’s van de nieuwrijken in de buitenwijken van Boedapest zijn megalomane lusthoven van bordkarton, gipsplaat en goudverf. De krankjorume architectuur van die nieuwe wijken legt de ziel bloot van het huidige Boedapest: men heeft grootse ideeën, men verlangt naar eigen ruimte en privacy, maar middelen, kennis, juiste overheidsrichtlijnen en rechtvaardige bureaucratische behandeling ontbreken. Maar in zekere zin is het ook de beminnelijke chaos die, naast de onvermijdelijke ergernis en temporale frustratie, voor de bevoorrechten – de relatief rijkere burger, zoals wij, westerlingen – een grote mate van vrijheid brengt. In deze stad kan alles.

Tophoer
Kort geleden ontmoette ik op een receptie een dame, ze had hooggehakte open schoenen, paars gelakte teennagels en een gouden kettinkje om haar enkel. Haar hele lichaam en outfit vertoonde eenzelfde mate van verzorging. Ze zag eruit als een poppetje. Ik schatte haar op achterin de veertig. Ze was half Frans, half Grieks. Toen ik vroeg wat zij deed voor de kost vertelde ze dat ze de nieuwe premier van Hongarije werd. Ze zei het bloedserieus. Eerder was me al eens verteld dat je voor twaalf miljoen euro president van Hongarije kon worden, dus ik kijk nergens van op. Even later vond ik uit dat de charmante mevrouw de tophoer van Boedapest was: ze sliep met alle hoge politici tot en met leden van de ministerraad aan toe. En eigenlijk verheugde mij dit, niet alleen omdat het mooi is dat je als je bijna vijftig bent nog de top callgirl van de metropool kan zijn, maar vooral omdat zij niet Hongaars was. Boedapest was altijd een stad van reizigers en vreemdelingen, Boedapest vierde zijn triomfen toen het functioneerde als smeltkroes. Dat is waar Boedapest naar terug moet. De Boedapester callgirl gaf een glimpje hoop.

Jaap ScholtenJaap Scholten (Enschede, 1963) is schrijver en kunstenaar. Hij debuteerde in 1990 met de verhalenbundel Bavianehaar & chipolatapudding. Sindsdien concentreert hij zich op het schrijven, onder andere ook van scenario’s. In 2008 verscheen zijn roman De wet van Spengler. Scholten woont sinds 2004 in Hongarije. Hij schrijft onder andere voor NRC Handelsblad columns en brieven.