bladzijde gids

In het begin van de  jaren 20 van de twintigste eeuw was de Nederlandse democratie jong en vitaal. Er werd met verve gebakkeleid over politieke onderwerpen. Ook over de stad.

In de Luistergids van de V.P.R.O. van 26 augustus 1928, vertelt Luigi, een van de redacteuren in een artikel over de toekomst van de Radio, over een radiografisch hoogtepunt uit 1924. Als de radio zich zou toeleggen op reportages van spannende maatschappelijke, culturele of sportieve gebeurtenissen, dan zouden de luisteraars het gevoel krijgen dat ze er ook bij waren! En dat moest de V.P.R.O. maar eens gaan doen.

Waar had deze Luigi het over? Wat was er voor inspirerends te horen geweest?

Een zoektocht in het audio archief leverde niets op, live uitzendingen werden niet geregistreerd, maar de happening waarover het radioverslag ging was zo spraakmakend, dat andere media er ook melding van maakten. Het Polygoonjournaal filmde de hoofdpersonen in de Haagse dierentuin. En toonde het Filmpje  in de bioscoop. Er werd geschreven in de kranten die toen al bestonden zoals de Nieuwe Rotterdamse Courant, Het Vaderland en de Leeuwarder Courant.

Van deze uitzending rest ons geen geluid. Wel vonden we in de Beeld & Geluid historische opnamen van anti-militarische strijdliederen. Daarom volgt hier een, met zang doorspekte,  leesbare radioreconstructie van het soort programma’s waar de VPRO traditie op stoelt:

In de avond van 30 september 1924 werd er live een radioverslag uitgezonden van een verhit debat in de dierentuin van Den Haag. Het debat ging tussen een professor die als volksvertegenwoordiger in de Eerste Kamer zat voor de Vrijzinnige Democraten en een gepensioneerde generaal van het Nederlandse Leger. Zij wisselden van gedachten over de wapenwedloop in een verstedelijkende wereld.

Beide sprekers hadden enthousiaste aanhangers, die lieten zich veel en vaak horen. Regelmatig zongen zij De Internationale of het Anti-militaristenlied waarop de tegenstanders Schande! skandeerden.

Uit: DE NIEUWE ROTTERDAMSE COURANT  van  1 OKTOBER 1924
Debat van Embden – Snijders

In de groote zaal van den Dierentuin te ’s-Gravenhage is gisteravond het openbare debat gevoerd tusschen generaal b.d. C. J. Snijders, oud-opperbevelhebber van land- en zeemacht en prof. dr. D. van Embden, lid van de Eerste Kamer, naar aanleiding van de rede door laatstgenoemde in April en Mei 1921 in die Kamer gehouden en sedert gepubliceerd onder den titel Nationale Ontwapening  of Volksverdelging.
Reeds te 7 uur nam de toeloop naar de Dierentuinzaal een aanvang. Behalve de groote zaal was weldra ook de rotonde geheel met toehoorders gevuld. Op het podium had rechts het hoofdbestuur van Ons Leger en links het hoofdbestuur van den Vrijzinnig-Democratischen Bond plaats genomen. Voorts was op het podium een loge gereserveerd voor politie-autoriteiten, onder wie zich de hoofdcommissaris de heer van ‘t Sant bevond.
Te kwart voor acht betrad generaal Snijders het podium, een kwartier later gevolgd door prof. van Embden. De laatste werd met applaus begroet, dat door den voorzitter der vergadering, mr. Werker,  voorzitter van het hoofdbestuur van den Vrijzinnig-Democratischen Bond, aanstonds energiek werd onderdrukt. In de zaal bevonden zich onder het publiek tal van rechercheurs. Onder degenen, die de voorste rijen bezetten, bevonden zich de leden der Tweede Kamer Van der Voort van Zyp, Deckers, Ketelaar, Albarda en Snoeck Henkemans; het lid der Eerste Kamer, de heer Westerdijk; het oud-lid der Tweede Kamer, de heer Teenstra; dr. Aletta Jacobs; gep. generaal-majoor Hoogenboom; bet lid. van den Haagschen gemeenteraad, mr. Josephus Jitta; prof. van Itallie en het lid van den Rotterdamschen gemeenteraad, mr. S. J. L. van Aalten. Voorts werden onder de toehoorders onderscheidene officieren in politiek opgemerkt; slechts een enkele had zich in uniform gestoken.
Te ruim acht uur opende de voorzitter de vergadering. Spreker constateerde, dat deze avond door velen in den  lande met groote belangstelling was tegemoet gezien en hij bracht dan ook nog even de aanleiding tot het debat in herinnering. Vervolgens deelde hij mede, dat generaal Snijders afstand had gedaan van zijn recht om bij loting uit te maken wie de eerste spreker zou zijn. Hij was bereid toe te staan, dat prof. van Embden het eerst het woord zou voeren, mits deze tijdig de hoofdlijnen van zijn betoog zou aangeven. Dit is geschied in den vorm der gepubliceerde stellingen. De indeeling van den avond is als volgt geregeld: eerst spreekt prof. van Embden gedurende 50 minuten; daarna generaal Snijders 50 minuten. Vervolgens wordt een korte pauze gehouden, waarna de debaters elk 25 minuten voor re- én dupliek krijgen. De vergadering zal dan te elf uur geëindigd kunnen zijn. ‘Ten einde het debat zoo veel mogelijk tot zijn recht te doen komen wordt verzocht zich te onthouden van elk teeken van goed- of afkeuring. Moge dan deze avond leiden tot versterking van uw aller inzicht, aldus besloot hij.

Na dit openingswoord trad prof. Van Embden naar voren, verwelkomd met applaus, dat echter door een krachtig  “sst”-geroep en een driftig “stilte” van den voorzitter weldra werd onderdrukt. Hierop ving prof. Van Embden zijn rede aan. Door een, drietal megafonen werd zijn stemgeluid zoodanig versterkt, dat het door de geheele zaal, alsook in de rotonde verstaanbaar was.
Aangezien onzen verslaggever de gelegenheid werd geweigerd zich tijdens de redevoeringen uit de zaal te begeven, teneinde een kijkje buiten te nemen en dan weer het debat in de zaal verder te volgen, kunnen wij tot ons leedwezen geen verslag geven van de gebeurtenissen in den tuin waar door middel van luidsprekers ook degenen, die tot de zaal geen toegang hadden gekregen, het debat konden bijwonen.

Rede van prof. D. van Embden

“Mijnheer de voorzitter, geachte vergadering,
Het is een hoogst ernstig vraagstuk, dat generaal Snijders en ik heden voor u hebben te behandelen.
Ik zal trachten dit te doen op zakelijke wijze. Geen wedstrijd in welsprekendheid, geen beroep op emoties, waar immers het verstand- en het geweten beslissen moeten. Beslissen – waarlijk over leven of dood onzer bevolking, over voortbestaan van ons vaderland doordat het zich ontwapent, of zijn ondergang doordat het zich tracht te verdedigen.
Over één punt kunnen de heer Snijders en ik het terstond eens zijn: wij verlangen beiden de onafhankelijkheid voor Nederland bewaard te zien, ons beiden beweegt de liefde voor ons land en wij willen daarvoor offers brengen.
Maar wij verschillen over de zakelijke vraag, of het offer der gewapende verdediging nog doeltreffend is.
Waar zoo de zaken staan, zouden dus verwijten als: gebrek aan vaderlandsliefde, slapheid, partijzucht of  erger, misplaatst zijn. Ik verwacht dan ook dat zulke kwalificaties achterwege zullen blijven Ik verwacht en verlang dat.
Wat zijn de grondgedachten van mijn betoog? Ge hebt ze vóór u in een twintigtal stellingen. Sommige ervan dunken mij elk op zich zelf voldoende om tot nationale ontwapening te besluiten, vele ervan vereischen geen toelichting en spreken voor zichzelf. Ik zal de belangrijkste toelichten. Indien een nieuwe wereldoorlog uitbreekt, indien de nationale bewapening, dat is het stelsel van vrees, wantrouwen en bedreiging, opnieuw den oorlog voortbrengt, dan zal die in hoofdzaak worden gevoerd met chemische middelen. Ja misschien zelfs zal het een krijgvoering zijn, waarin de generale staven zich ook de ziekte-bacillen tot bondgenoot hebben genomen.
Maar in elk geval zal het overwegend zijn een chemische krijgvoering: de gassenoorlog, de stikgassen als hoofdwapen.
Waarin bestaat dat?  Hierin. Er zal, bij dit chemisch uitroeien van menschen geen onderscheid gemaakt worden tusschen soldaten en burgerbevolking. Om drie redenen niet:
1°. Men zal bij voorkeur de groote steden willen treffen. In den modernen oorlog immers vechten de volken met al hun economische krachten. Elk economisch nuttig mensch, elk produceerend burger heeft militaire waarde. In de steden zijn tal van fabrieken,: kantoren, banken, dagbladen en de centrale verkeers- en bestuursorganen. Al die producenten, zoo mogelijk, moeten met de doodelijke gassen worden aangepakt, wil men den strijd winnen.
2°. De steden zal men aanvallen, want door de terreur van den massamoord breekt men ook den wil tot weerstand, noopt men tot overgave.
En, in de 3e plaats alleen dan voorkomt men onzen aanval op buitenlandsche steden. Kortom, de moderne landsverdediging wordt een stelsel van wederzijdsch terrorisme op de meest afschuwelijke schaal.
Wat bewerken de gassen? Ik ontleen de volgende bijzonderheden aan eersterangs deskundigen,  wier namen ik u straks noemen zal. De gassen bewerken:
Tijdelijke blindheid en soms duurzame blindheid. Zeer veelvuldig: ontstekingen over het geheele lichaam, pijnlijke wonden die uiterst langzaam genezen.
Een ander maal: hartverlamming en plotselingen dood.
Dikwijls: snelle vernieling der longen, zoodat de stervende de benauwdheden lijdt van den verdrinkingsdood.
Maar in vele andere gevallen: de langzame vernieling der longen, zoodat de getroffene wordt doodgemarteld, doodgemarteld bij vol bewustzijn in een langzame verworging, die dagen lang duurt. En hierin is dan de wreedaardigheid van de moderne krijgsvoering op haar monsterachtig hoogtepunt. Dat bedreigt ons allen en onze vrouwen en onze kinderen, als wij voortgaan met voorbereiding ten oorlog.
En wat de strijders zelf betreft, voor de overgroote meerderheid zal er ook geen sprake meer zijn van persoonlijke dapperheid en nauwelijks van krijgskunde. De zoogenaamde verdediging van den vaderlandschen bodem zal in hoofdzaak bestaan in één grootscheepsche uitroeiing van al wat leeft, hier en ginds. De militaire leiders zullen slechts besturen één grootbedrijf van menschenslachting. Uit vaderlandsliefde te weerszijden zullen de menschen elkaar verdelgen als ongedierte. Deze gevaren zijn zo ontzaglijken zo afschuwelijk, dat alle volkeren beginnen in te zien, hoezeer voorbereiding ten oorlog hen bedreigt. Mede daarvoor zijn deze maand te Geneve die hoopgevende stappen gezet welke ons den wereldvrede nabijbrengen. En al bewaart ook onze Troonrede over den Volkenbond een bot stilzwijgen; en al tracht nog in Juni j.l. generaal Snijders de Vereniging van Nederlandsche Officieren in te prenten dat de “oorlog een onuitroeibaar verschijnsel is” en dat in Europa de “uitbarsting van de smeulende oorlogsvlam onontkomelijk is” – te Genève althans heeft het idealisme van den gematigden socialist Mac-Donald en van den vrijzinnig-democraat Herriot den invloed der bewapenaars reeds teruggedrongen.
Maar de internationale ontwapening is er nog niet. Nog resten zeer groote moeilijkheden te overwinnen. Die moeilijkheden kunnen blijken onoplosbaar te zijn. En nu is de zaak: wij mogen niets meer wagen. Als er een nieuwe wereldoorlog uitbreekt, is ons land onherroepelijk verloren, zoo het dan nog bewapend is. Maar is het dan reeds ontwapend, dan heeft het groote kans aan die vernietiging te ontkomen.
Maar zijn al deze vreselijke voorspellingen nu geen schrikbeelden? Bijna al onze bewapenaars trachten den indruk te wekken, dat wij met die schildering van den chemischen oorlog schromelijk overdrijven, dat wij maar wat verzinnen.
De heer Dresselhuis, die met de kwestie ijselijk verlegen zit – hij is de eenige niet – schrijft onlangs in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, dat Van Embden die ontwikkeling der oorlogsgifgassen “veronderstelt”, het is alles nog maar “nachtmerrie en hypothese”. De werking der stikgassen, betoogt hij, is in dien omvang nog niet ondervonden. Inderdaad ondervonden is het alles eerst na den volgenden oorlog. Degenen, die voorloopig willen voortgaan met de poging, ons land door bewapening te beveiligen, willen een proef gaan nemen met den volgenden oorlog.
Zijn het schrikbeelden en hersenschimmen? Mijne mededeelingen berustten o.a. op de uitspraken van Fries, het hoofd van het departement van chemische krijgsvoering der Vereenigde Staten, van generaal Sibert, van dr. Wester, leeraar in de natuurwetenschappen aan de Hoogere Krijgschool ten onzent.
Dr. Wester putte zelf uit een 8-tal grootere werken en uit een 35-tal tijdschriftartikelen.
Maar bovenal staafde ik mijn rede in de Kamer en mijn brochure met gegevens, die tot voor korten tijd geheim waren.

Dat geheim is thans opgeheven; onlangs zijn die gegevens grootendeels gepubliceerd. Vanwaar kwamen zij? Ik kan het thans zeggen: Van den Volkenbond, van zijn Ontwapeningscommissie.
Maar hun publicatie is zeer vertraagd geworden. Waarom? Omdat er in die Commissie te Genève een stille strijd is gevoerd tusschen twee groepen.
Eenerzijds de pacifisten; zij wenschten zoo spoedig mogelijk te publiceeren, want zij wilden de volken inlichten omtrent de vreeselijke bedreiging, die hun boven het hoofd hangt.
Anderzijds, de militairisten: zij wilden uitstel; want ze begrepen hoe de volken, als die gruwelen bekend werden, alle voorbereiding ten oorlog zouden gaan verfoeien, ook den z. g. verdedigingsoorlog.
De publicatie bleef dus traineeren. En toen bracht een gelukkig toeval mij die rapporten in handen. Welnu, aanstonds hebben wij, Vrijzinnig-Democratische Kamerleden begrepen, dat deze vreeselijke gegevens mede toebehoorenden aan het Nederlandsche Volk, dat anders bij onwetendheid, blindelings zou kunnen voortgaan met zijn landsverdediging, die in werkelijkheid wordt tot Volksverdelging. Wij Vrijzinnig-Democraten, hebben, meen ik, onzen plicht begrepen; wij hebben én de gruwelen van den gassenoorlog én de onmogelijkheid zich er tegen te verdedigen luide bekend gemaakt in ’s-Lands raadzaal.
Eén ding van betrekkelijk minder belang mocht ik toenmaals niet openbaren; de namen van die rapporteurs. Thans kan het. En voor het geval ook mijn geachte wederpartij mocht willen gewagen van nachtmerrie en overdrijving, hier zijn eenige namen: “Bij deze gassen – zoo citeerde ik – zijn geen grenzen denkbaar voor hun macht, voor hun doeltreffendheid, voor hun verscheidenheid.”
Dat schreef Prof. Mayer, hoogleraar in de scheikunde aan de College de France te Parijs: “Tegen de huidaandoeningen van het mosterdgas – bestond niet en bestaat nog niet een bevredigend procédé dat veroorlooft talrijke troepen er tegen te beschermen.”
Dat rapporteerde eveneens in 1923 de Amerikaanse hoogleraar in de scheikunde Zanetti.
Een ander schreef over de arsenikverbindingen die door alle gasmaskers heen gaan en de soldaten dwingen ze af te zetten.Waarna dan aanstonds de andere, doodelijke gassen aansluipen. Hij voegde er bij -ge vindt dat op blz. 17 van mijn brochure- dat onlangs octrooien waren genomen op nog gevaarlijker middelen. Die dit rapporteerde was prof. Angeli te Florence, eveneens een chemicus.
“Maar daarom meen ik” – zoo schreef de Amerikaanse professor Cannon- “dat we tijdens de laatste oorlog niets gezien hebben dat vergelijkbaar is met de bij een nieuw conflict waarschijnlijke vooruitzichten van vernieling der industriecentra en de slachting der burgerlijke bevolking.”.
“Kortom” -ik doe nu maar een greep om niet te uitvoerig te worden-” deze gassen verzekeren aan een macht, die van kwade wil is, een onmetelijk overwicht. Uitvinding, studie en voorbereiding kan uiterst gemakkelijk in het geheim geschieden. Overvalt men er een volk mee , dan breekt men op slag elke neiging tot weerstand.”
Zoo oordeelde de chemicus prof. Mayer te Parijs.
Dit zijn allen deskundigen van internationale reputatie. Maar indien soms mijn geachte wederpartij aan de uitspraken van professoren nog niet dadelijk volle gewicht mocht hechten, voeg ik er bij dat hun gegevens verwerkt zijn door een commissie van vier leden, te weten: Lord Cecil, admiraal Smith, generaal de Marinis en kolonel Requin, een commissie dus waarin drie van de vier leden hooge militairen waren. Hun rapport wijst onder meer met grooten nadruk op het onbewoonbaar maken, ja uitmoorden van geheele steden. Zij achten het zeer wenschelijk daartegen een verdedigingsmiddel te vinden, maar zij weten het niet aan te geven.
Misschien is generaal Snijders daar beter toe in staat. Waarschijnlijk is hij dat, gelet op het strenge oordeeldat hij over mijn standpunt reeds geveld heeft. Hij heeft daartoe de volgende moeilijkheden op te lossen:
1. De vliegtuigen raken de steden van uit een hoogte waarop zij zelf onkwetsbaar zijn.
2.  Al ware dit anders, men moet om zich afdoende te verdedigen behalve luchtdoelgeschut ook het overwicht in de lucht hebben. Deze patriottische plicht geldt natuurlijk aan weerszijden van de grens. Dus een onbeperkte wedloop in bewapening, tot groote vreugde der wapenfabrikanten, beveiligd worden in elk geval hun dividenden.
3. De gassen worden ook uit scheepsgeschut gelanceerd. Ons land zal ook het overwicht ter zee moeten hebben. Tegenover Engeland bijvoorbeeld of Amerika.
4. Men zal gasmaskers in voorraad moeten hebben voor de soldaten, de geheele burgerlijke bevolking en het vee.
Ik doe in het voorbijgaan opmerken dat ik met deze en volgende vragen mijn geachte wederpartij natuurlijk niet overval. Immers zij zijn alle in mijn Kamerrede en brochure reeds aangeduid.
5. Men zal die gasmaskers moeten vullen met afweerstoffen tegen onbekende gassen. Want in de geheimhouding ligt het hoofdgevaar.
6. Ons land met zijn zwakke chemische industrie zal zijn afweerstoffen grootendeels moetren invoeren. Dit zal een duidelijke aanwijzing zijn om ons dan met andere gassen te bezoeken.
7. Mijn geachte wederpartij dient ook de bescherming te noemen tegen gassen die door alle maskers heen gaan.
8. Alsmede hoe men tegen het mosterdgas geprepareerde kleeding kan gereed hebben voor de geheele burgerlijke bevolking en
9. Hoe men den oogst kan beschermen tegen het uitstrooien van parasitaire insecten.
Zie daar dus de voornaamste moeilijkheden van den chemischen oorlog. Zij veranderen alles. Elk beroep op het verleden heeft voor wat de militaire techniek betreft zijn waarde verloren. Indien mijn geachte wederpartij ons standpunt weerleggen wil, moet hij die moeilijkheden oplossen. De bewapenaars hebben zijn hulp dringend noodig. Want tot dusver staan zij allen, schijnt het, hulpeloos.
Minister Ruijs wist niet anders te antwoorden, dan dat het wel mee zou vallen. Dergelijks schreef de kapitein Prey. Minister Colijn beaamde mijn schildering geheel, maar onthield ons elke oplossing. Kolonel van Dam van Isselt schrijft een maand geleden een brochure over “De zin onzer weermacht”, maar schijnt van een chemisch vraagstuk nooit gehoord te hebben. De brochure van „De Standaard” al evenmin. Prof. Slotemaker de Bruine ried aan, de scheikunde liever buiten beschouwing te laten, hetgeen nog niet waarborgt, dat de scheikunde ons buiten beschouwing zal laten. Generaal Snijders bestrijdt mij in Juni j.l. zonder aan den chemischen oorlog één syllabe te wijden. En de toosten bij de herdenking der mobilisatie, hebben ook al geen antwoord verschaft. Ook dr. Wester heeft over mijn rede nog steeds het stilzwijgen bewaard. En toch verweet dr. Wester onze regeering, dat zij ten deze op onverantwoordelijke wijze den blindeman speelt.
De vraag is, of dit laatste verwijt wel billijk is. Onze regeering doet toch wel iets. Weliswaar zweeg zij over de chemische moeilijkheden en wees zij mijn motie tot onderzoek af. Maar zij tracht de manoeuvres tot kijkspel in te richten en, nog beter, zij heeft de parades weder ingevoerd. En met dit laatste verschaft zij ons volk toch één grondstof in onbeperkte mate: ik bedoel de turf in je ransel van onze voortreffelijke militaire muziek.
Mijn geachte wederpartij, dien ik als persoon hoogacht, zal beter willen doen. Maar hij begrijpe dan goed, dat er niet te spreken valt over de waarde der onafhankelijkheid of der mobilisatie van 1914, maar, zeer reëel, over mosterdgas en fosgeen, over geprepareerde kleeding voor alle burgers en over onze chemische industrie.
Ik hoop, dat dit duidelijk is. Indien ook hij niet anders zou zeggen, dan dat men niet overdrijven moet en dat er tot dusver altijd nog wel verdedigingsmiddelen gevonden zijn; indien hij zou aanvoeren, dat ook hij den oorlog vreeselijk vindt – een verzuchting, die ik waardeer, maar die ons geen stap verder brengt -, of indien hij onzen historischen zin opwekt door een herinnering aan Tromp en De Ruyter, ja, al ware het aan 1914, dan zou ten duidelijkste gebleken zijn, dat ook de oud-opperbevelhebber geen raad weet met de moeilijkheden en dat ook hij onwillens erkent dat ons land volstrekt onverdedigbaar is geworden, erkent dat ook een poging tot landsverdediging moet worden volksvernietiging.

Maar nu beproeven onze bewapenaars dit alles te ontgaan door de bewering, dat onze krijgstoerusting een preventieve werking uitoefent. Haar taak is niet allereerst den oorlog te voeren, maar hem voor ons te voorkomen. Onderzoeken wij deze stelling.
Ik stel voorop, dat voor deze preventieve werking vereischt is, dat onze krijgsmiddelen een zeker minimum van weerkracht bezitten.
Derhalve zal generaal Snijders, behalve de 9 chemische moeilijkheden van zooeven, ook nog deze 3 algemeene moeten oplossen:
I) Wijl onze huidige weermacht eindelooze leemten heeft: hoeveel honderden millioenen per jaar zijn noodig om dat uiterste minimum te bereiken, dat wereldberoemde uiterste minimum? Immers zonder een globale kostenberekening zou de preventieve werking geen ernstig argument zijn.
2) Hoe voorkomt hij, dat deze offers terstond weer nutteloos worden door nieuwe uitvindingen en uitgaven elders?
3) Hoe waarborgt hij ons, dat niet de militaire leiders in. het buitenland onze weermacht beneden het minimum zullen achten. Indien zij een hoogeren maatstaf aanleggen, is er geen preventieve werking!
En wat dan? In deze leer van geweld en niets dan geweld heeft generaal Snijders het buitenland geleerd, wat er dan geschieden mag. Indien Nederland, zoo schreef hij in Juni j.l, zich weerloos maakt – en waarvan dit afhangt, zeide ik zoo even – zou België “het moreele recht hebben”, onze neutraliteit te schenden.
Hoort ge, het moreele recht. België, dat in den Volkenbond onvoorwaardelijk beloofd heeft, ook ons grondgebied en onze neutraliteit te zullen eerbiedigen, wordt door een invloedrijk man ten onzent aangemoedigd, de leer van het vodje papier te gaan toepassen, die leer welke Duitschland zooveel aanzien en geluk heeft aangebracht! Een Belgische oorlogspartij, zal zioh te zijner tijd op dezen Nederlandschen schrijver kunnen beroepen. Hij heeft aan hen de wapens verschaft. Hij heeft de Belgische vredespartij bij voorbaat verzwakt.
Ik wil hier niet de grove woorden gebruiken, die men in de Vereeniging Ons Leger te mijnen aanzien gebezigd heeft. Ik zal er slechts van zeggen, dat men door deze ontkenning der moraal aan ons vaderland den gevaarlijksten stoot toebrengt, die slechts mogelijk is.
Zooeven wierp ik de vraag op, wat er van de preventieve werking onzer weermacht terecht komt, indien buitenlandsche militairen zich van het onontbeerlijk minimum een hoogere voorstelling maken dan wij.
De voorstanders der bewapening ten onzent, de regeering en wie haar steunen, trachten zich hier uit te redden door te zeggen, dat het voldoende is, dat wij naar de mate van onze krachten ons best hebben gedaan. Maar dat is volkomen er naast. Het is niet de vraag of de schooljongen Nederland voldoende ijverig is geweest en genoeg tijd aan zijn huiswerk heeft besteed ook al heeft hij het niet af, maar het is de kwestie, of een gewapend Nederland feitelijk macht uitoefent, ja of neen.
Het is tragikomisch te zien hoe weinig de bewapenaars van hun eigen stelsel begrijpen. Ons land ziet met spanning tegemoet, hoe nu generaal Snijders de 3 vragen van zooeven beantwoorden zal.
Is dit op afdoende wijze geschied, dan hebben wij dus een preventieve macht. Maar het is er een, die bij feitelijke aanwending den gebruiker zelf vernietigt. Dan hebben wij het vermaarde “slot op de deur”, dat in werkelijkheid een helsche machine is. Wie het slot gebruikt, doet het geheele huis in de lucht vliegen.
Geen nood, onze bewapening – zoo verzekert men – voorkomt toch den oorlog. Ziet ons land van verdediging geheel af, dan wekt dit ongerustheid en lokt dit ijlings uit tot bezetting als veiligheidsmaatregel. Onze bewapening echter, zoo heet het, werkt tegelijk afschrikwekkend en geruststellend.
Geruststellend – ja dit vooral. Hoe meer bewapening, zoo grooter de algemeene gerustheid. Krupp te Essen en Schneider-Creusot waren en zijn eigenlijk fabrieken van kalmeerende middelen. Vreemd, dat men hun nooit den Nobelprijs voor den vrede heeft toegekend.
Nu ja, wordt geantwoord, maar nu doelt, ge op de bewapening der groote mogendheden. Die van Nederland bedreigt niemand; ons land wapent zich slechts te zijner verdediging en dat begrijpt, een ieder in de wereld.
Slechts ter verdediging…. maar dat zeggen de volken allen en dit meenen ze ook allen, te goeder trouw. Ook het Fransche en het Belgische volk meent met zijn huidige bewapening slechts defensief te zijn. Na zoo vreselijk geleden, te hebben, willen zij slechts veiligheid en niets anders. Op zijn beurt meent Engeland, hetwelk tegenover de Fransche overmacht in de lucht, vele nieuwe avions bouwt, dat het louter defensief is en niemand bedreigt. En de koortsachtige toerusting alom met gifgassen is door allen alweer louter als verdediging bedoeld. Maar het groote gevaar is, dat de moderne wapens, ook de onze, allen ook offensief kunnen gebruikt worden en ten deele, zelfs ter verdediging offensief moeten gebruikt worden.
Zeker niemand verdenkt Nederland van een offensief in politieken zin; ieder weet, dat Nederland geen gebied wil gaan veroveren en dat het niet in vollen vredestijd een aanval zal gaan ondernemen.
Maar geheel anders staat het, indien een oorlog van anderen op het punt staat uit te breken of reeds uitgebroken is. Dan en bovenal, nu aanvallen met stikgassen een verdedigingsmiddel geworden is, op zulk een tijdstip kan niemand er zeker van zijn, dat Nederland niet op een bepaald moment zich zal inbeelden, dat zijn enige kans op redding gelegen is in spoedig aangrijpen, ten einde den vermeenden aanval van een ander nog af te wenden. Dan wordt het een wedijver in snelheid en in zenuwachtigheid. Een uur te laat kan de militaire nederlaag beteekenen, neen erger nog, kan de uitmoording der bevolking beteekenen. De militaire bevelhebbers zullen, ook ten onzent, de regeering bezweren, dat eene kostbare uur niet te laten verloren gaan. In elk geval, het buitenland zal uit lijfsbehoud ons moeten verdenken, er rekening mee moeten houden, dat wij op een defensieven aanval kunnen zinnen. En het zal, bij een voldoenden graad van zenuwachtigheid trachten ons voor te zijn. Moderne bewapening trekt het oorlogsgevaar in huis.
Het buitenland zal ons moeten verdenken, zeide ik. Want bewapening is een stelsel van vrees, verdachtmaking en bedreiging. Ieder en allen wantrouwen is voor den bewapenaar zijn vaderlandsche plicht.
Generaal Snijders in zijn brochure van Juni j.l. maant ons met klem aan jegens Frankrijk, België en Engeland de grootste achterdocht te koesteren en eventueel vast te rekenen op neutraliteitsschending hunnerzijds, dat is: vast te rekenen op hun woordbreuk. Er schijnt tusschen de volken niets anders meer dan woordbreuk te zijn, omdat in 1914 het oude Duitschland België geschonden heeft.
Mistrouw een ieder – dat is de blijde boodschap die onze bewapenaars de menschheid brengen. Luidruchtig roepen zij de wereld toe, dat recht en moraal de volken niet beschermen zullen. Met deze giftige wijsheid denken zij ons land nota-bene te beveiligen!
Maar ook het buitenland verneemt dit evangelie van het wantrouwen. En te zijner tijd zal het natuurlijk ook ons er naar beoordeelen. Ook aan de overzijde der grens is achterdocht nu een vaderlandsche plicht. Indien dan Nederland tijdens een conflict gewapend is; indien het o.a. de stikgassen ten aanval gereed houdt, gelijk de ministers Ruys en van Dijk reeds hebben aangekondigd, dan zal een vreemde macht zoo spoedig mogelijk toesnellen om ons onschadelijk to maken voor het te laat is. Wij hebben dóór onze bewapening den preventieven aanval over ons land gebracht. Ziedaar nu de preventieve werking van uw stelsel!
Tal van oorlogen zijn preventief geweest. Wilt ge een voorbeeld ervan tegen een klein land? In 1807 zond Engeland in vredestijd een kort ultimatum aan Denemarken, om zijn oorlogsvloot uit te leveren. Let wel, ik beroep mij niet op de militaire techniek van die dagen, maar spreek over het permanente wantrouwen, toen en nu. Een ultimatum dus. Hoe klein die Deensche vloot tegenover de Britsche ook zijn mocht, Engeland wenschte er geen hinder van te hebben.
Denemarken weigerde; het antwoordde dat het niemand bedreigde, dat het bij een conflict neutraal zou blijven. Neen, repliceert Engeland, in uw hart lees ik anders. Ik lees daarin, dat ge heult met Frankrijk. Denemarken blijft weigeren, waarop Engeland Kopenhagen in brand schiet en de Deensche vloot weghaalt. En deze daad wordt door Engelsche militairisten nog in onze dagen geprezen en aanbevolen. De Engelsche oud-opperbevelhebber Lord Roberts keurde haar goed. Lord Fisher adviseert in 1908 , als hoofd der Engelsche admiraliteit zoo spoedig mogelijk de Duitsche vloot onschadelijk te maken; de vloot waarmede Duitschland zich “beveiligd” en de wereld gerustgesteld heeft!
Maar die preventieve aanval, hoeveel te eer trekken wij hem niet aan in een tijd, waarin onze eenige kans op redding, militair gesproken, kan liggen in een snellen aanval met stikgassen op Brussel, op Keulen, of elders. Indien ik het diep onzedelijke, het misdadige van zulk een strijdmiddel nu laat rusten, hoe grenzeloos onwijs is het ook, om daarmee te gaan dreigen. Dacht men, dat in oorlogstijd, waarin de zenuwen toch reeds tot het uiterste geprikkeld zijn, de belligerenten ons de keus van het oogenblik zullen laten? Zoodra maar eenig valsch gerucht overwaait, pakt men ons aan.
En toch kan ook de Nederlandsche bewapenaar niet anders zeggen, dan dat zonder de stikgassen als “defensief-offensief” middel wij weerloos zijn.
Zoo is het. Maar dan blijkt het stelsel van bewapening ook volkomen te zijn vastgeloopen, moreel en technisch; De moderne oorlogsmiddelen voeren vrees en bedreiging omhoog tot een ondragelijke zenuwspanning; zij produceren steeds grootere onveiligheid. En dan is er uit dat doodloopend slop, ook maar één uitweg: dat allereerst de kleine landen vierkant omkeeren op dit pad van het verderf; dat zij met elke bewapening ten oorlog terstond en geheel ophouden. Zelfs door eenzijdige ontwapening vergrooten zij hun veiligheid ten zeerste. Want dit is het punt, waar alles op aan komt: bij een ontwapend volk valt niets meer te wantrouwen, niets meer te vreezen, niets meer onschadelijk te maken.
Hier kan slechts eerlijk spel zijn. De kaarten liggen open op tafel. Het ontwapende volk voorkomt elke reden tot aanval en elk voorwendsel tot aanval. Het bouwt op vertrouwen en beroept zich naar weerszijden op de plechtige belofte der onschendbaarheid. Op die wijze bereidt het een betere wereldorde voor, en alléén op die wijze, indien Nederland ontwapent, zal het een roemrijk voorbeeld zijn en aan de menschheid ten zegen strekken.
Maar, vraagt men, kan de hulp van bondgenooten ons dan niet ten goede komen! Neen, ten kwade. Die mogelijkheid vergroot het gevaar. Denemarken werd door Engeland verdacht, de geheime bondgenoot van Frankrijk te zijn. Van een ongewapend volk kan men zoo iets niet denken.
Indien Nederland bewapend blijft, van welk geheim, bondgenootschap zal het dan te zijner tijd verdacht worden? Men antwoordt, van geen enkel! Ons stelsel is, dat wij ons keren tegen den eersten schender; wij worden dus eerst daarna bondgenoot van zijn vijand.
Dit is het automatische stelsel, dat onze regeering en ook generaal Snijders aanbevelen. Maar, vergeef me het woord, het is absurd. Veronderstel eens, dat Duitschland en Rusland te zamen misdadig een oorlog ontketenen. Zij vallen de Entente aan. Deze laatste schendt onze neutraliteit. Want, zoo heet het immers, op trouw aan het gegeven woord moet ge vooral niet rekenen.
De Entente is dan voor ons “de eerste schender” en daarmede onze vijand. Daarentegen worden de oorspronkelijke aanvallers, Duitschland en Rusland, automatisch onze bondgenooten. Engeland is onze tegenstander, onze kuststrook en steden worden gebombardeerd, Nederl.-Indië is terstond verloren, enz. Verliest onze groep ten slotte dien oorlog, dan zullen wij de uitgestootene der wereld zijn.
Winnen wij hem, dan hebben wij de westelijke democratieën helpen vernietigen en wij hebben de bolsjewiki als dierbare bondgenooten op ons grondgebied. Hoe krijgt ge hen er weer uit?
Ziedaar alweder een schoone vrucht van het stelsel der bewapening. Het is de klem van het automatisme. In de Kamer heb ik daarover gedebatteerd met minister van Karnebeek; hij wist geen uitweg; naar mijn meening zit hij in die klem nog soliede gevangen. Zal de heer Snijders den heer van Karnebeek straks er niet kunnen bevrijden, of hem gezelschap gaan houden?
Dit stelsel van den eersten schender is dus zoozeer onaannemelijk, dat iedere verstandige regeering in het buitenland wel moet verwachten, dat een bewapend Nederland zich zijn bondgenooten vrij kiezen zal. Maar dan ontstaan terstond nieuwe gevaren. Meende het Duitsche volk in 1914 niet, dat België de geheime bondgenoot van Engeland was? Vele Duitschers meenen dit, wat 1914 betreft, zelfs thans nog! Ten onzent heeft een zeer gezaghebbend man, Struycken, in 1923 als volgt geschreven: Het onrecht en de vernedering, die wij gedurende den oorlog ter wille onzer onzijdigheid hebben te verduren gehad, hebben voorzeker bij menigeen in de bitterheid zijns harten de vraag op de lippen gebracht, of wij voor het vervolg maar niet beter zullen doen in de groote politiek partij te kiezen om ons zoo in tijden van conflict een bondgenootschap te verzekeren, dat ons er voor zal behoeden opnieuw op zoo geringschattende wijze te worden behandeld.” Struycken wijst dan verder op het gevaar, dat het toeval van den oorlog onze plaats zal bepalen en zinspeelt op de onmogelijkheid voor ons om ooit tegen Engeland partij te kiezen. En hij besluit met deze zeer weifelende uitspraak: “Toch schijnt, alles wel gewogen, de handhaving van het tot nu toe gevolgde stelsel, zoo lang de mogelijkheid daartoe ons zal worden gelaten, de voorkeur te verdienen.” En: “wij hebben ook de indruk, dat de groote belanghebbende mogendheden, vooralsnog geen andere politiek van ons verwachten.
Dien indruk had Struycken. Maar als niettemin de regeerders in het buitenland straks eens wel anders van ons verwachten? Als zij toch maar aan het gissen gaan bij wie Nederland zich eventueel zal aansluiten. (En er zijn bewijzen van dat zij op dit oogenblik, reeds zulke berekeningen maken, juist omdat Nederland nog gewapend is en nieuwe wapenplannen aankondigt.)
Wat dan? Dan gebeurt ons te eeniger tijd het volgende:
Er woedt een oorlog: Nederland is er nog buiten, maar het heeft zijn moordtuig dreigend gereed. Wij zijn paraat, roepen wij, met kinderlijken trots. Nu zendt een der beilligerenten, indien hij humaan is, ons een ultimatum en sommeert ons, onverwijld partij te kiezen. Antwoord. Nederland, zijt ge vóór of tegen ons; het risico der onzekerheid kan ik niet hebben.
Wat antwoorden wij? Doodelijk ontsteld gaan wij uitleggen dat wij er een geheel andere theorie op na houden. Nederland, zoo zeggen we, heeft vredelievende wapens. Gij, afzender van het ultimatum, kent uw rol niet; ge behoort nu juist gerustgesteld te zijn. Dat hebben onze bewapenaars ons altijd voorgespiegeld. Wij hebben slechts welwillende kanonnen.
Ontwapend daarentegen, bouwen wij op recht en vertrouwen en vinden de grootst mogelijke beveiliging. Want nog eens: bij een ontwapend volk valt niets te verdenken: valt niets onschadelijk te maken. Wat zal onze taak zijn? Zullen wij in domme eigengerechtigheid blijven verkondigen, dat alle volken slecht zijn, behalve natuurlijk wij zelf.  Zullen wij de internationale atmosfeer blijven vergiftigen door onze lasterpraat en kleinmoedigheid?
Maar – en dit is het laatste dat ik zal aanvoeren – indien ons vertrouwen nu toch eens beschaamd wordt.
Indien nu toch, op het gebied van een ontwapend Nederland, anderen hun strijd gaan voeren? Is er dan niet groote kans, dat dan ook onze bevolking door de stikgasfoltering bezocht zal worden?
Kans – ja: 100 procent zekerheid kunnen wij, Vrijzinnig Democraten niet geven, thans nog niet. Onze ontwapeningseisch is geen kwakzalverij. In een wereld, welker zedelijke grondslagen door de voorbereiding ten oorlog vergiftigd zijn, is altijd nog gevaar. Maar de verhoudingen zijn deze:
Met bewapening is er voortaan 99 procent kans dat wij zelf als partij in den oorlog worden getrokken.
En gebeurt dit, dan beteekent het voor een klein land zijn volslagen vernietiging.
Bij ontwapening echter is er, zeg 90 procent kans, geheel buiten den oorlog te blijven. Ons dan te ontzien zal voor de belligerenten een moreel belang zijn, een economisch en zelfs een strategisch belang.
Zou niettemin schending en gevecht van twee sterken te onzent plaats vinden, dan zal voorzeker er plaatselijk groot leed geleden worden. Maar niet het geheele land zal met stikgassen worden bezocht.
Immers dit heeft alleen zin, indien Nederland zijn weerstand bewust georganiseerd heeft, zoodat het geheele volk moet worden aangepakt met moord én terreur om dien weerstand te breken.
Zoo is er dan ten laatste maar een redding uit al deze ellende, uit deze lichamelijke en zedelijke ellende: toont door de daad der ontwapening, dat ge vertrouwen schenkt en dan ontvangt ge vertrouwen. Houdt op, de oorlogspartijen in andere landen te versterken door ons slechte voorbeeld. Ontwapent hen, door u openlijk te verlaten op de plechtige beloften, die ons zijn gegeven. O, mannen en vrouwen van Nederland, bevrijdt u zelf en de wereld uit den vloek der bewapening door eindelijk te gaan gelooven in het betere in den mensch. Alleen op een grondslag van vertrouwen zal internationale ontwapening mogelijk worden. Welnu, de ontwapening der kleine volken zal er den weg toe banen. Het hangt van u af of Nederland het lichtende voorbeeld zal zijn. Steunt ons, vrijzinnig-democraten bij onze moeilijke, maar heerlijke taak. Steunt dat grootsche vredeswerk.
“Werpt dan van u den kleinmoedigen angst, den eeuwigen argwaan, de geniepige spionnage van het verfoeilijk moordtuig. Verzaakt het misdadige stelsel, dat Nederland’s belangen meent te kunnen dienen door middel van een afzichtelijken massamoord. Betreedt ook tegenover andere volken den weg der moraal en grijpt moedig en met al uw krachten die taak aan, zoolang het voor u dag is.
Dan wanneer door den steun van u en van velen met u Nederland besluit tot nationale ontwapening, dan zult gij hebben gewerkt aan het eenige, dat ons land en alle volken beveiligen kon: de heerschappij van het vertrouwen, het recht en de solidariteit.
Dan zult gij hebben gediend én vaderland én menschheid.”

Rede van oud-generaal C. J. Snijders

“Mijnheer de Voorzitter, Dames en Heren,

In de Algemeene Vergadering der Koninklijke Nederlandsche Vereeniging Ons Leger op 19 Juli j.l. noemde ik de ontwapenings en weerloosheidspropaganda van Prof. Dr. D. van Embden ” onzinnig en verderfelijk.” Dat moge niet zeer vriendelijk klinken, mijn oordeel mag gematigd heeten, vergeleken met de minachtende en wegwerpende wijze, waarop de heer Van Embden en zijn anti-militaristische medeleden der Staten-Generaal gewoon zijn, zich over het standpunt en de meeningen hunner tegenstanders in het ontwapeningsvraagstuk uit te spreken. Het hoofdbestuur van den Vrijzinnig-Democratische Bond heeft mijne uitspraak aangegrepen als aanleiding om mij uit te noodigen tot een openbaar debat met Prof. van Embden en ik heb deze nitnoodiging gaarne aangenomen, vooreerst omdat het mij een plicht van waardigheid en ridderlijkheid scheen mijn zooeven vermeld oordeel op zakelijke gronden toe te lichten, waartoe de vergadering van Ons Leger natuurlijk geen gelegenheid bood; en ten tweede, omdat het bestuur onzer vereeniging juist had besloten, op nader te overwegen wijze tegen de propaganda van den heer Van Embden stelling te nemen.
Inderdaad acht ik deze ontwapenings en weerloosheidspropaganda “verderfelijk”, omdat zij – uitgaande van onjuiste grondslagen en als zoodanig dus “onzinnig” – in den lande een strooming dreigt te doen ontstaan, welke noodlottig voor ons vaderland zou kunnen worden. Niet alleen vindt die beweging steun bij hen, die om politieke of financieele redenen ijveren voor onze eenzijdige, zgn. nationale ontwapening; maar ook onder hen, die onze weerbaarheid ter verzekering van onze onzijdigheid en daardoor van onze veiligheid noodzakelijk achten en die daarin tot dusver een redelijken waarborg meenden te mogen zien, is onrust en twijfel gewekt, terwijl de groote schare van zwakken en kleurloozen, die onnadenkend zioh door elke klinkende leuze laten meeslepen, gretig op het lokaas van belastingvermindering en opheffing van militaire lasten toebijt.
Mijn critiek was gericht tegen den inhoud der redevoering, door prof. Van. Embden op 23 April jl. en volgende dagen in de Eerste Kamer gehouden, later ook als brochure in den lande verspreid. De spreker van zooeven heeft, ons opnieuw, in korteren vorm een overzicht van zijne denkbeelden gegeven.
Ik zal deze uiteenzetting niet op den voet volgen, maar mij allereerst bezighouden- met den gas-en lucht-oorlog. Prof. van Embden verklaarde toch in de Eerste Kamer, dat dit  het hoofdpunt, het nieuwe was. En werkelijk is het de luidruchtige overdrijving, waarmede dit onderwerp door den heer v. E. is behandeld, welke in vele kringen opzien, schrik en onzekerheid heeft gewekt. Mijn eerste doel zal zijn, u dit onderwerp in het juiste licht te doen zien.
Prof. Van Embden schildert in schrille kleuren de afschuwelijkheid van den gasoorlog, de wreede folteringen, waaraan ernstige gaszieken blootstaan, het gruwelijke en onmenschelijie van dit nieuwe wapen. Maar ik wil vragen: is en was niet altijd de geheele oorlog wreed, gruwelijk en onmenschelijk? Zijn andere wapens zooveel humaner? Wie dit meent, vergeet of heeft nimmer gekend de aangrijpende schilderingen van het onbeschrijfelijk lijden, dat zich in de ambulances achter de slagfronten reeds vóór de invoering van den chemischen oorlog afspeelden. Hij denke zich eens in, wat het beteekent door een geweer- of mitrailleurkogel blind geschoten of door gloeiende granaatscherven verscheurd te worden. Is het zooveel minder wreed, wanneer een zware brisant-granaat in een troepencolonne inslaat of indringt in een schuilplaats of in een oorlogsschip en door hare ontploffing in één slag 40, 80, 100 gezonde en levenslustige mannen doodt, jammerlijk verwondt, of door brandende en giftige ontploffingsgassen verzengt of verstikt?
De invoering der chemische strijdmiddelen was waarlijk niet noodig om bij elk beschaafd en zedelijk mensch afschuw van den oorlog te wekken. Zij zijn in dit opzicht geen nieuw element Integendeel, hoe vreeselijk het lijden van ernstig door het gas getroffenen ook zijn moge, allen die tot oordelen bevoegd zijn, verklaren dat de gasaanslag minder onmenschelijk, minder wreed is dan die met andere moderne wapens, zooals die reeds vóór 1914 werden gebruikt.
Wij hebben geen beteren maatstaf ter beoordeeling en vergelijking van den relatieve menschelijkheid van verschillende – feitelijk zonder onderscheid onmenschelijke – wapens dan de verliezenstatistieken, de verhoudingen tusschen de aantallen combattanten en slachtoffers, de mortaliteit, de percentages langdurig en blijvend ongeschikten en de verplegingsduur der in de ziekeninrichtingen opgenomen patiënten.
Nu is het wel zeer opvallend, dat alle bronnen welke men raadpleegt, daaronder de officieele rappoorten en statistieken en de verklaringen van de deskundigen, die den gasoorlog hebben meegemaakt en daarin een leidende rol hebben vervuld, volmaakt eenstemmig zijn in hunne uitspraak dat:
a. de soldaat te velde een aanzienlijk kleinere kans loopt op gasvergiftiging dan op verwonding of dood door andere wapens;
b. de sterfte door gasvergiftiging naar verhouding zeer belangrijk geringer is dan die door verwonding of beleediging door andere wapens;
c.de gemiddelde verplegingsduur der gaszieken in de ziekeninrichtingen korter is dan die van andere gewonden ;
d. de genezing der gaszieken over ‘t algemeen gunstig en tamelijk snel verloopt en dat blijvende, nadeelige gevolgen zeldzaam zijn;  en dat zo
e. het aantal der door gasvergiftiging geheel of gedeeltelijk blijvend ongeschikten slechts een zeer gering percentage van het gehele aantal in den oorlog ongeschikt gewordenen bedraagt. terwijl de relatieve omgeschiktheid van hen, die dat zeer geringe porcentage uitmaken, slechts voor enkelen meer dan 50 pct. bedraagt.
Gegrond op de ervaring van een driejarigen gasoorlog bewijzen deze uitkomsten, dat de chemische strijdmiddelen ; niet wreeder, in menig opzicht zelfs humaner zijn dan andere wapens. Zoo getuigen alle bevoegde schrijvers ook die naar welke prof. Van Embden verwijst, doch wier verklaringen hij verzuimd aan te halen.
Maar vanwaar dan die scherpe tegenstelling tusschen de aangrijpende schildering van de foltering en de vernietigende uitwerking van het gas, eenerzijds, en de officicele rapporten en statistieken, de verklaringen van deskundigen en ooggetuigen, die den chemischen oorlog bij ervaring kennen? Daarvoor zijn verschillende oorzaken werkzaam geweest. Vooreerst de gewone neiging van niet-deskundigen en het groote publiek om de uitwerking en beteekenis van nieuwe oorlogswapenen schromelijk te overdrijven, niet begrijpende welk een onnoemlijken afstand er ligt tusschen de uitkomsten, welke de geleerde ons uit zijn studeerkamer of zijn laboratorium voorspiegelt, en het uiterst geringe deel daarvan, dat in de feitelijke oorlogsuitkomsten verwezenlijkt wordt.
Deze neiging tot overdrijving vond nog voedsel in het feit, dat de eerste Duitsche gasaanvallen in April 1915 geschiedden met uit stalen cylinders afgeblazen chloorwolken, die in hevige mate benauwend en verstikkend werken en ook op de omgeving een weerzinwekkenden indruk teweegbrengen. Daarbij kwam, dat het gasgebruik geschiedde in strijd met de ook door de Duitschers aanvaarde volkenrechtelijke overeenkomst, wat aan de Geallieerden een welkom middel tot oorlogspropaganda in handen gaf. Zoo verkreeg de gasoorlog bij ondeskundigen al dadelijk den roep van onmenschelykheid en gruwelijke wreedheid.
Maar het voornaamste, wat daartoe leidde, was, dat de eerste Duitsche gasaanvallen de Geallieerden troffen volkomen onvoorbereid, zonder eenige bescherming, zonder een afweermiddel. De verliezen waren dan ook zeer groot, de moreele indruk op de troepen en op hunne landslieden was overweldigend.
Er is echter inmiddels heel wat veranderd. De chemische oorlog heeft zich bij beide oorlogvoerende partijen stelselmatig ontwikkeld, zoowel ten opzichte van het actief verweer en het offensief gebruik van het gaswapen, als met betrekking tot de passieve bescherming tegen de gaswerking des vijands. De middelen tot bescherming tegen gas zijn naar het tegenwoordig standpunt volkomen bevredigend. De nieuwste modellen van gasmaskers beschermen tegen alle tot heden bekende gassoorten. Daarnaast heeft zich een geheel stelsel van voorzorgs-, waarschuwings- en beschermingsmaatregelen ontwikkeld. Er is een nieuwe gasoorlog, techniek en tactiek ontstaan, nieuwe organisaties voor toepassing en afweer van het gas-wapen, nieuwe oefeningseischen en -methoden.
Drie en een half jaar van intensieve toepassing van den chemischen oorlog hebben niet kunnen aantoonen, dat hier eene strijdwijze zou zijn ontstaan, waartegen niets bestand zou zijn, waartegen geen verdediging mogelijk ware. Integendeel, men kan zelfs niet zeggen dat die strijdwijze een hoofdfactor in de beslissing van den wereldoorlog is geweest. Het chemische, wapen is een normaal oorlogswapen geworden, dat nimmer meer uit de oorlogstechniek verdwijnen zal. Het is een krachtig, een gevaarlijk, neen, het is een geweldig wapen. Maar het is niet krachtiger, niet gevaarlijker, noch geweldiger dan eenig ander modern oorlogsmiddel. Het heeft de techniek van den oorlog en de tactiek der aanvoering zeer verzwaard, het heeft oefeningseischen opnieuw opgevoerd. Maar noodlottig en onwederstaanbaar is het slechts voor die partij, die verzuimt zich tijdig op gebruik van afweer voor te bereiden.
De schrille tegenstelling tusschen de feitelijk zeer matige uitwerking in den chemischen oorlog bereikt of bereikbaar en daartegenover de realistische schilderingen van de martelingen door ernstige gaszieken ondergaan, is uitsluitend hierdoor te verklaren, dat voor propagandistisch gebruik als algemeen en onont-komelijk wordt voorgesteld, wat slechts juist mocht heeten in den tijd, toen alle, of ten minste elke voldoende bescherming ontbrak en wat heden, nog slechts kan intreden in bijzondere gevallen, die ook bij elk ander wapen voorkomen, gevallen van onvoldoende voorbereiding, oefening en uitrusting met beschermingsmiddelen, gevallen van overrompeling door een gasaanval, van zorgeloosheid der troepen, toevallige gebreken der gasmaskers of andere tekortkomingen der afweertechniek.
Maar de heer van Embden zal zich hierdoor niet laten overtuigen. Want hij beschikt over eenige vertrouwelijke adviezen van geheimzinnige buitenlandsche geleerden, die hem hebben toevertrouwd, dat er ook gassen bestaan, die het gebruik van elk gasmasker verijdelen, en voorts, dat het ware gevaar bij de chemische krijgsvoering ligt in de mogelijkheid, dat een nieuw gas ontdekt zou kunnen worden, hetwelk het gebezigde masker van een der partijen zou kunnen doordringen en waartegen de partij, die dit gas gebruikt, een speciaal beschermingsmiddel zou hebben. Ik kan niet zeggen, dat dit hypothetische gas en dito beschermingsmiddel op mij grooten indruk maakt. Ik heb uit de practijk der wapenwerking en de studie van den oorlog geleerd:
a. dat er – gelijk ik reeds opmerkte – eene diepe en wijde klove ligt tusschen laboratorium- en oorlogs uitkomsten;
b. dat er nog nimmer een aanvalswapen is bedacht geworden, waartegen ook niet weldra bescherming gevonden werd; en
c. dat geen enkel oorlogsmiddel, hetzij tot aanval hetzij tot afweer, geheim blijft. Allerminst in den oorlog, als gewonden, gevangenen, spionnen en overloopers de gewichtigste onthullingen doen. De wereldoorlog heeft dit op overtuigende wijze bewezen.
En dan…..  ik heb ook eenige geleerden achter de hand, ook professoren, ditmaal met bekende namen. In een onlangs verschenen rapport van de Commission Temporaire Mixte van den Volkenbond wordt de meening kenbaar gemaakt van verschillende geleerden, wier advies over den gas- en bacteriologisohen oorlog gevraagd was. Met betrekking tot de mogelijke uitwerking van nieuwe ontdekkingen op gebied van den chemischen oorlog zegt dit rapport:
,.Nul ne peut garantir que de nouvelles substances ne seront découvertes, qui troubleront d’autres fonctions du corps. Ce n’est la qu’une hypothese, il est vrai. M. le Sénateur Palerno estime que l’on ne doit pas l’exclure, mais il fait également observer, que rien n’autorise a croire qu’on puisse découvrir et preparer une  quantité considerable de substances nouvelles, présentant une grande superiorité militaire sur celles que l’on connait déja. Faire ressortir qu’au début de la guerre le nombre des gas asphysiants connus elevait a une trentaine, alors qu’aujourd’hui on en peut compter plus de mille, constitue d’après lui un argument dépourvu de valeur si l’on refléchit que dans cette augmentation rapide de trente a mille n’est compris aucun produit nouvellement découvert et que Ie phosgène, Ie chlorure de cyanogene et l’ypérite, qui occupaient la première place parmi les trente, l’ont conservé parmi les mille.”
„Ia conséquence la plus logique qu’on puisse tirer de cette constatation, est simplement que Ies nouvelles recherches effectuees sur les mille substances n’ont aboutii a rien.”
Met deze geruststellende en onaanvechtbare verklaring kunnen wij tevreden zijn.
Maar nu verrijzen er andere schrikbeelden Het is de bedreiging onzer burgerbevolking met gevaren, welker overdreven schildering er op berekend is op de onnadenkende en ondeskundige menigte zoodanigen indruk te maken, dat velen zich afvragen, of dan toch maar niet van zelfs de meest rechtmatige zelfverdediging tegen het grofste onrecht moet, worden afgezjen, liever dan eene geheele natie. met weerlooze vrouwen en kinderen, te laten uitmoorden en slachten en het geheele land te laten verwoesten. Ik bedoel de toepassing van den chemischen en bacteriologischen oorlog, in verband met den luchtoorlog.
Prof. van Embden heeft van dit middel tot intimidatie van zijn weinig of niet deskundig gehoor in de Eerste Kamer van ons volk een onbeschroomd gebruik gemaakt en heeft het vraagstuk zeer eenzijdig en overdreven gesteld. Zijn mening dat wanneer wij ons verdedigen ons land een “groot slachthuis”, een “veld van foltering” zal worden , berust op de door hem onderstelde vreselijke uitwerking van zware gasbommen, uit vliegtuigen geworpen en op de den vijand toegekende mogelijkheid van genoemde wapens onbegrensde hoeveelheden tegen ons af te zenden, waartegen onze zwakke afweermiddelen volslagen machteloos zouden zijn.
Tot staving van die meening wordt o.a. aangevoerd dat Edison zou beweerd hebben (wat ik niet gelooven kan en niet voor hem zou hopen), dat de bevolkig van geheel Londen, met behulp van het nieuwe Lewisite-gas in enkele uren, uit niet meer dan 20 a 50 vliegtuigen, uitgeroeid kan zijn. Dames en Heeren. Dit is jammerlijke onzin, die slechts kan opkomen in het fantaseerende brein van iemand die niet het flauwste begrip heeft van de grenzelooze hoeveelheden munitie en vliegtuigen, welke practisch voor het verkrijgen van een dergelijk effect noodig zouden zijn; fanatasieen, welke door prof. van Embden zonder eenige critiek of controle, met emphase worden overgenomen.
Londen heeft eene oppervlakte van 181.250 H.A. Berekend naar gegevens ontleend aan Fransche schrijvers en gegrond op de practijk van den wereldoorlog zouden voor het geheel met gas uitroeien van een dergelijk doel 88 millioen K. G. bomgewicht noodig zijn, voor het afwerpen van welke 19.000 vliegtuigen elk a 20000 K.G. bomgewicht (welke vliegtuigen nog niet bestaan) vereischt zouden worden. Onderstellende dat bij gunstige weersgesteldheid iederen nacht 200 vliegtuigen boven een geheel onverdedigd Londen zouden kunnen komen, dan zijn voor dat kunststukje van Edison 85 nachten van 200 vliegtuigen noodig. Wie iets van den luchtoorlog weet zal erkennen, dat het des nachts brengen van 200 vliegtuigen boven een bepaald doel reeds een ongehoord moeilijk probleem zou zyn; dat 85 nachten van vliegbaar weer zelfs in een beter klimaat dan het onze nimmer achtereen voorkomen; en dat zulke reusachtige luchtraids een zoo buitengewone, omvangrijke en zorgvuldige voorbereiding zouden vorderen, dat zij slechts met belangrijke tusschenruimten denkbaar zonden zijn.
Maar, wat nood! De vijand kan immers alles en wii kunnen niets. Frankrijk bezit 2000 vliegtuigen, beweerde prof. van Embden in de Eerste Kamer. In ziin brochure is dit aantal reeds tot 8000 aangegroeid. Ik moet mij haasten hiertegen in te gaan, want anders komen wij nog tot de 19.000.
Ik heb het voorrecht gehad ten deze zeer welwillende en zaakkundige voorlichting te mogen ontvangen van den kapitein der artillerie Kaas, een hoogst bekwaam en kundig officier, die door zijne studie en practische ervaring op het gebied van den luchtoorlog en door zijne detacheering bij het Fransche leger ter bestudeering van het luchtafweervraagstuk, als eene bevoogde autoriteit mag gelden. Volgens zijne opgaaf, berustend op recente en betrouwbare gegevens, beschikt Frankrijk thans – met inbegrip van daartoe geschikte vliegtuigen der civiele luchtvloot – ten hoogste over 250 a 300 zware bombardementsvliegtuigen, geschikt voor nachtelijke luchtraids op groote afstanden. Maar hiervan kunnen er ten hoogste 2/3 tegelijk voor den dienst beschikbaar zijn. Er kunnen dus ten hoogste 165 & 200 vliegtuigen en natuurlijk slechts met groote tusschenpoozen worden uitgebracht, die samen niet meer dan 75.000 K.G. bomgewicht kunnen meevoeren. Dat ziet er wel wat anders uit, dan hetgeen ik zooeven berekende als noodig voor het vernielen van een groot bevolkingscentrum.
En wat zal er dan terecht komen van het verwoesten van ons geheele land en het uitmoorden van onze geheele bevolking, wat prof van Embden als „im Hand-umdrehen” uitvoerbaar voorstelt?
Tegenover de gewaande Fransche luohtvloot van, 2000 of 3000 vliegtuigen, bezitten wij er volgens prof. van Embden, slechts 112, waarmede Z. H. Gel. blijkbaar wil doen uitkomen, dat w« niet* tot tegenweer zouden kunnen uitrichten.
Maar deze tegenstelling is onjuist. Zij berust op de volstrekt onaannemelijke onderstelling, dat Nederland alleen en geïsoleerd oorlog zou moeten voeren met een groote mogendheid. Dit is ongerijmd. Gij  ontwapenaars, behoordet de laatsten te zijn om te ontkennen, dat – wanneer ons land met een groote mogendheid in een ernstig conflict mocht.geraken- gegeven de uiterst vredelievende gezindheid van Ne-derland’s volk en regeering en de bestaande machtsverhoudingen, de volkenrechtelijke instellingen, van. arbitrage, volkenbond en internationale justitie aan de Nederlandsche regeering alle gelegenheid zouden bieden en deze door haar ook gretig zou worden aanvaard, om tot een vreedzame oplossing van het geschil te geraken.
Het eenige gevaar voor Nederland is te worden meegesleept in een oorlog tusschen andere West-Europeescbe staten onderling en dit is ook de eenige reden van bestaan voor hare weerbaarheid. In zoodanig geval is het uit een politiek en strategisch oogpunt volkomen uitgesloten, dat een der oorlogsvoerenden zijn geheele luchtvloot zou kunnen zenden naar een nevcnoperatiefponeel, als ons land in zulk een geval slechts zal zijn. Het zou van die partij een roekelooze en doellooze strategie zijn, die tot haren wissen ondergang zou leiden, indien zij verzuimde onverwijld met volle kracht tegen den hoofdtegenstander op te treden en zich liet verleiden tegen een nevendoel als Nederland ook maar iets meer af te zonderen dan zou overblijven, nadat een beslissende overmacht op het hoofdoperatie-tooneel verzekerd zou zijn, Ik verwerp dus de tegenstelling van prof. van Embden, als zijnde met elke gezonde krijgskunde en juiste strategie – gelijk trouwens met elk verstandig begrip – in strijd. Die tegenstelling heeft blijkbaar geen ander doel dan de waarde onzer bescheiden weermacht nog verder naar beneden te halen.
Over luchtafweer loopt prof. van Embden losjes heen. Zij is volgens hem om financieele redenen uitgesloten en, zich beroepend op den heer Colijn, zouden er 60 a 70 millioen mee gemoeid zijn. Ik heb mijn licht liever bij een vakman, kapitein Maas, opgestoken en deze heeft mij verklaard, dat volgens een door hem opgemaakt project voor de luchtverdediging ten behoeve onzer geheele landdefensie naar reëele en recente prijsopgaven. 15 millioen als uitgaaf ineens noodig zouden zijn. Natuurlijk zouden onze anti-militairisten groot misbaar maken over het „weggooien” van zulk een som voor een „verloren zaak”. Maar zij, die – als ik – de verzekering onzer nationale veiligheid in een West-Europeesch conflict een dringenden plicht achten, zullen voor een gezond, krachtig en welvarend volk als het Nederlandsche een uitgaaf voor éénmaal van 15 millioen op een jaarbudget van bijna 700 millioen niet overdreven achten, om daarvoor een degelijken waarborg tegen luchtgevaar te verkrijgen.
De middelen tot luchtafweer zijn vele en velerlei, in den wereldoorlog zijn te Parijs en Londen reeds met zeer bescheiden middelen zeer gunstige uitkomsten verkregen. De uit de lucht bereikte uitwerking was gering. En dat zal zoo blijven, ook als men, in plaats van brisantbommen, gasbommen zal gebruiken. Niet alleen veroorzaken deze laatste door hunne veel geringere springladingen een veel kleinere vernieling, maar bovendien is de oorzaak van de beperkte uitwerking niet gelegen in de bommen zelf, die waarlijk krachtig genoeg zijn, maar in de bijna onoverkomelijke vliegtechnische en organisatorische moeilijkheden van groote nachtelijke luchtraids.

Men kan dan ook zonder voorbehoud aannemen, dat het Duitsche terrorisatie-bombardement in 1918 volkomen mislukt is. En zoo verklaar ik ook het schrik-waarmede de heer v. E. het Nederlandsche volk
tracht te terroriseeren, de bedreiging met uitmoording en slachting van de geheele bevolking en de verwoesting van het geheele land, een volkomen uit de lucht gogrepen fantasie te zijn.
Maar de bacterien-oorlog dan? Ook hieromtrent beschikt mijn geachte tegenstander over: „volstrekt betrouwbare gegevens”, die de mogelijkheid van lucht-bombardementen met microben schilderen. Het denkbeeld van het moedwillig teweeg brengen van besmettingsgevaar voor de troepen en dieren der tegenpartij – en dus ook noodwendig voor de vijandelijke bevolking – is een product van den oorlogslaster. Gedurende den geheelen wereldoorlog is er geen schijn van eenig bewijs geweest, dat, een poging tot toepassing dezer duivelsche methode door een der partijen zou zijn beproefd.
In tegenstelling met projectielen en gassen zijn bacterien levende organismen, wier bestaan en vermenigvuldiging aan bepaalde voorwaarden gebonden zijn. In geen geval zal het besmetten van individuen en levensbronnen der tegenpartij kunnen geschieden door middel van springgranaten en -bommen want de hooge temperatuur vernietigt eIk organisch leven. Het zoo even aangehaalde rapport van de C. T. M. van den Volkenbond zegt dan ook, dat alleen het afwerpen van glazen ballons, gevuld met ziektekiemen, eenig gevaar zou kunnen opleveren. Maar dan. wil ik vragen, is er dan, bij de uiterst geringe nauwkeurigheid en trefkans bij het werpen uit vliegtuigen, eenige zekerheid dat de aldus afgeworpen bacteriën den voedingsbodem bereiken en de bestaansvoorwaarden vinden zullen, die juist voor haar in ‘t bizonder onmisbaar zijn? En aannemende, dat de besmetting inderdaad de vijandelijke troepen bereikt, dan zou voor het beoogde gevolg noodig zijn, dat een epidemie uitbreekt; dat dus de bacterie zeer infectieus ware en de vatbaarheid der troepen groot, dat verder de aard der ziekte niet tijdig door de vijandelijke medici werd herkend of hun geen immunisatie-methode bekend ware.
Dit alles maakt het succes in hooge mate onzeker. Maar gesteld, dat de toeleg slaagt, welke schromelijke gevolgen kunnen daaruit voortvloeien, voor overbrenging naar het eigen kamp door gevangenen, gewonden en overloopers; voor besmetting van bondgenooten en neutralen! Het meergenoemde rapport der C.T.M. van den Volkenbond zegt terecht: „De uitwerking van het bacteriologische wapen, noch gemeten, noch begrensd kunnende worden, zou de burgerbevolkingen aantasten, de grenzen overschrijden en zich voortzetten na de beëindiging der vijandelijkheden. Men kan zoggen, dat dit wapen indirect tegen de geheele menschheid zou zijn gericht.”
Ik voeg er bij, dat het voor de partij, die het gebruikte, een zelfmoordend wapen zou zijn.
Het is wel merkwaardig, dat in  het betoog van den heer van Embden met betrekking tot het terroriseeren eener weerlooze bevolking door gasbombardement en bacillengevaar, hoegenaamd geen invloed wordt toe gekend aan deze drie factoren: het volkenrecht, de openbare meening en de vrees voor repressailes. Van een volkenrechtelijk verbod verwacht de professor niets. .
Er zijn twee groote menschlievende beginselen, die zich in den loop der eeuwen langzamerhand in het zedelijk bewustzijn der beschaafde volken hebben baan gebroken:
1. de onschendbaarheid van gewonden en gevangenen; en .
2. de onschendbaarheid der weerlooze, met   feitelijk  aan het krijgsbedrijf deelnemende bevolking.
Voorzeker werd ook hiertegen nog menigmaal gezondigd. Maar nimmer als stelsel, nimmer als rechtmatig erkende oorlogspraktijk.
Daarom is het zoo te betreuren, dat de Professor het eenvoudig als vanzelfsprekend en onvermijdelijk voorstelt, dat in toekomstige oorlogen de burgerbevolking met gasbombardement en besmettingsgevaar zal worden bedreigd en murw gemaakt. De bewering van mijn geaohten tegenstander, dat de moderne oorlog alle verschil tusschen het leger en de non-combattanten uitwischt, is naar mijne meening een ketterij. Ook in vroegere oorlogen moest de burgerbevolking in de/ materieele behoeften der krijgsmacht voorzien en moest het maatschappelijk bedrijf, bij ontstentenis der gemobiliseerden, door de burgerij worden gaande gehouden. Er is bij vroeger geen principieel – ten hoogste een gradueel en quantitatief verschil. Het aanvaarden van de stelling van den heer v. E. zou een terugkeer tot de barbaarsche opvattingen der oudheid beteekenen. Gij vooral, ultra-pacifisten en ontwapenaars, die immers de tegenwoordige menschheid op een zoo hoog zedelijk standpunt stelt, dat de verwezenlijking van het „Vrede door recht” aanstaande zou zijn, gij moogt niet beweren, dat diezelfde menschheid tot den diepsten trap van barbaarschheid en onmenschelijkheid zal vervallen. Gij vooral prof. v. Embden, die de moreele gezindheid en onbaatzuchtigheid der groote mogendheden in een West-Europeesohen oorlog zoo hoog aanslaat, dat gij een weerloos Nederland veilig acht temidden der elkander op leven en dood bekampende machten; ongeacht de strategische belangen, welke ons land voor partijen vertegenwoordigt, gij moogt niet medewerken om de
gedachte ingang te doen vinden, dat het uitmoorden en slachten eener weerlooze bevolking tot de normale oorlogspractijken zou gaan behooren. Gij vooral moogt niet van „IJdele hoop” spreken, met betrekking tot verbodsbepalingen van het volkenrecht ter bescherming der niet-combattanten’. Want gij haalt zoodoende de menschheid neer in een. poel van wreedheid en barbaarschheden, waarin uw verheven vredes-ideaal zal verstikken.
Zij die den menschheid gaarne den bindenden vrede willen brengen- – en wie wil dat niet? – doch erkennen gelijk ook prof. v. Embden, dat voorshands het gevaar voor oorlog nog blijft bestaan, zij zouden meer in overeenstemming met hunne leuze handelen door allereerst in het menschdom dezen zin voor recht en menschelijkheid te versterken, door te streven naar nieuw en verhoogd gezag van juiste volkenrechtelijke bepalingen. Dat doel wordt al zeer slecht gediend door onmenschelijke oorlogspractijken als normaal en onontkomelijk voor te stellen.
Een door de beschaafde wereld erkend volkenrechtelijk beginsel is ook daarom van zoo hooge waarde, omdat, het een houvast is voor het wereldgeweten en een maatstaf voor de openbare meening.
Dat deze laatste in den oorlog een gewichtige rol speelt, heeft tijdens den wereldfcrijg de hoog opgevoerde oorlogspropaganda bewezen. De vrees voor afkeuring door de openbare meening, zoowel in het eigen als in het neutrale – en zelfs in het vijandelijk land – is een, zij het niet volstrekt afdoend, maar dan toch krachtig middel om oorlogvoerenden van een niet door het volkenrecht gesanctionneerd optreden terug te houden. Maar dan moeten wij zeker niet die openbare meening opleiden in de leer, dat onmenschelijkheid en wreedheid jegens niet-stryden-den tot do gebruikelijke procédè’s zullen gaan behoo-ren. Ook de vrees voor het uitlokken van represailles is een zeer werkzaam middel ter voorkoming van de toepassing der genoemde procédè’s.
Het voorafgaande samenvattende, is mijne slotsom, dat noch in den chemischen oorlog, noch in den lucht oorlog eenige aanleiding kan worden gevonden, om aan onze weerbaarheid hare grooto waarde en hooge beteekenis als preventief wapen ter verzekering onzer onzijdigheid in een aanstaand West-Europeesch conflict te ontzeggen. Echter onder een tweeledig voorbehoud: .
1. dat ook onze land- on zeemacht op den chemischen oorlog deugdelijk voorbereid zij; en
2. dat onzo luchtverdediging deugdelijk, zij het op bescheiden voet, worde georganiseerd.
Een strijdmacht, welke niet op afweer van den gasoorlog afdoende is voorbereid, is verloren. Maar ook het eigen gebruik der chemische strijdmiddelen is voor ons een dringende eisch, sedert allo legers daarvan voorzien zijn. Het chemische wapen is niet wreeder dan eenifc ander wapen, zoodat daartegen geen enkel argument van onzedelijkheid of onmenschelijkheid kan gelden. Maar onzedelijk en onmen-soheliik zou het zijn. onze mannen in den oorlog ie zenden onder den druk van een zoo geweldigen achterstand aan moreel en materieel aanvalsvcrmogeii, als zou voortvloeien uit het besef, dat zij een machtig wapen zouden missen, waarvan de vijand eeu on-gehinderd gebruik zal maken.
Maar prof. v. Embden heeft geen gas- en luchtoorlog noodig om voor ontwapening te pleiten. Hij verlangt in elk geval nationale ontwapening eenzijdig, zoolang niet internationale gelijktijdige ontwapening bereikbaar is.
De beschikbare spreektijd is tot mijn leedwezen reeds zoover verstreken, dat ik op dit deel van des professors betoog slechts zeer kort kan ingaan. Het onderwerp is trouwens niet nieuw en elders reeds veelvuldig, ook door mij, besproken. In het gedrukte verslag mijner rede wordt dit gedeelte meer uitvoerig behandeld, terwijl ik ook bereid ben bij mijn spreekbeurt in tweeden termijn daarop terug te komen.
Het preventieve doel onzer weermacht heb ik zooeven omschreven, evenals de omstandigheden, waaronder zij zal hebben op te treden. Ik wijs dus elke argumentatie af, welke komt aanzetten met millioenen legers en reusachtige zee- en luchtvloten, die onze zwakke macht in volslagen isolement zouden komen te bedreigen.
De preventieve waarde onzer weermacht is in 1914 door de feiten bewezen. Het getuigenis van den toen-maligen chef van den Duitschen generalen staf, generaal von Moltke, is onweerlegbaar, doch door prof. van Embden in de Eerste Kanier onjuist geïnterpreteerd. Ook gedurende de verdere oorlogsjaren was onze voortdurende weerbaarheid en gereedheid tot afweer, volgens uitdrukkelijke verklaring der toenmalige regeering en van anderen, die wisten, wat er achter de, schermen voorviel, ons enige redmiddel in de sfeer van wantrouwen tusschen de oorlogvoerenden onderling en jegens onszelf. De professor kan dat nu wel tegenspreken, maar hij zal niemand wijsmaken dat wij die vier lange jaren ongemoeid zouden zijn gebleven, indien wij weerloos geweest waren. Hij wijst echter op den onvoldoenden toestand onzer toenmalige weermacht, die o.a volgens uitspraak van mijzelf tot op het laatst „nietswaardig” zou zijn gebleven. Ik kan des professors moed niet bewonderen om in een debat met mij zich zulk een flagrante verdraaiing mijner woorden en zoo verkeerde voorstelling mijner bedoeling te veroorloven. Ik heb in al mijn geschriften onveranderlijk het standpunt ingenomen: dat de preventieve werking onzer weermacht in 1914-18 door de feiten bewezen en door de meest bevoegde en best ingewijde personen erkend is. Dat was het doel der weermacht en de reden van haar bestaan. Op een zelfstandige, voortgezette verdediging van ons land tegen een doorgezetten aanval eener grooote mogendheid is onze weermacht nimmer berekend geweest, zal zij nimmer berekend kunnen zijn en behoeft zij ook niet berekend te wezen. Ik heb dit in mijne geschriften in herinnering gebracht, en betoogd, dat wij zulk een verdediging zonder de hulp van bondgenooten niet langdurig zouden kunnen volhouden, omdat sommige politici zich het tegendeel verbeeldden en blijkbaar voorwendden vergeten te zijn, hoe het leger door hun schuld gedurende jaren vóór den oorlog was verwaarloosd en beknibbeld.
En wat de materieele uitrusting der weermacht betreft, de heer van Embden moge schrijven het te vergeten, maar ik vergeet het niet, hoe aan het leger speelbal der politiek, vóór den oorlog het aller noodigste werd onthouden of onder, onnoemlijken weerstand schraal werd toegemeten, vooral door toedoen, van de anti-militairistische geestverwanten van den heer van Embden. Ja, toen men in 1914 in doodsangst zat, toen werden er „onbeperkte credieten” verleend. Maar toen was het te laat en kon zelfs tegen de grofste bepaling het allernoodigste niet meer verkregen worden. Het is waarlijk een fraaie redeneering: eerst verzetten de H. H. politici zich tegen alles, wat voor den opbouw en de voorziening der weermacht noodig is. Dan komt de oorlog en blijkt het leger door schrielheid en verzuim onvoldoende georganiseerd, geoefend en uitgerust. En als dan het gevaar voorbij is, dan heet het „zoo slecht was het leger! Ziet ge wel, dat wij daaraan voor onze veiligheid en onzijdigheid niets hebben?”
Niemand zal beweren, dat onze bewapening ons absolute veiligheid onder alle omstandigheden waarborgt. Maar zij biedt ons de grootst mogelijke kans daarop. In de toekomst moge de macht der wapenwerking nog veel grooter worden dan zij in den wereldoorlog reeds was, in elken oorlog tusscben groote mogendheden onderling zal elke partij moeten streven naar de overmacht, zonder welke geen overwinning mogelijk is. In die balans der krachten zal altijd de goed georganiseerde weermacht van een onzijdigen kleinen staat den doorslag kunnen geven. Daarom moeten beide partijen ons ontzien, mits wij beslist toonen, buiten het geding te willen blijven en wij daarbij steunen op eene weermacht., welke iets beteekent. En er is geen enkele reden, waarom een gezond, krachtig, en welvarend volk, met rijke hulpbronnen in moederland en koloniën, die het voorrecht gehad heeft, ongeschonden uit den wereldoorlog te komen, niet in staat zou zijn, zich de offers op te leggen, welke voor dat doel noodig zijn.
Aan den anderen kant moet Nederland in den strjjd worden meegesleept wanneer het weerloos zal zijn. Want hoe een toekomstige oorlog zich ook groepeere en afspele, ons land blijft altijd gelegen op den vleugel van het Fransch-Belgische kustfront en op die van het Fransch-Belgische Rijnfront.
Een weerbaar neutraal Nederland kan dien vleugel dekken. Maar als wij weerloos zyn, dan zal de bedreigde partij uit zelfbehoud gedwongen zijn, zichzelf die dekking te verzekeren, terwijl de andere er in haar belang op bedacht zal moeten zyn, dit te verhinderen. Zoo wordt ons weerloos land onverbiddelijk het tooneel van den strijd en alle rampen, die Prof. van Embden ons van den gas- en luchtoorlog voorspiegelt, wanneer wy onze onzijdigheid met de wapens zullen waarborgen, zullen eerst recht op onze hoofden neerdalen, wanneer wij – weerloos, willoos en rechtloos – tot een speelbal der strydende partyen zullen zijn geworden.
Prof. van Embden wil in de toekomst de veiligheid van een ontwapend Nederland zoeken in het moreele belang, wellicht zelfs in de moreele gezindheid der groote mogendheden, om de neutraliteit der kleinere te eerbiedigen. Zeer goed!
Maar houden dat moreele belangen: die immoreele gezindheid dan op te bestaan en te werken, wanneer wij door gewapende bescherming onzer onzijdigheid onzen internatioonalen plicht vervullen? Bij de gegeven internationaal-politieke verhoudingen moet zelfs worden aangenomen, dat onze ontwapening reeds in. normalen tijd bij de ons omliggende groote mogendheden en bij België bedenking,  wellicht verzet zou ontmoeten, omdat zij een gevaar voor den internationalen status quo zou beteekenen. Heeft niet onze regeering in 1919 te Parijs aan de Belgische de dekking van den linkervleugel van het Maas-front in Limburg gewaarborgd en heeft zij niet verklaard, dat schending onzer neutraliteit door Duitschland in Limburg voor ons een causus belli zou zij-n? Wat moet er van die aanvaarde verplichting terecht komen, als wij geen leger meer hebben? Dat zal ik u zeggen:
Nog kort geleden werd in een Belgisch blad betoogd, dat met het oog op onze nabijizijmde weerloosheid. België – bij wijze van barriere-tractaat – het recht moest hebben om Nederlandsch Limburg te bezetten en te versterken. En zonder éenigen twijfel zouden de Belgen in geval van oorlog zichzelf door bezetting van ons weerloos land de noodige veiligheid verschaffen. En zij zouden gelijk hebben!
De heer v. E. verklaart, dat de vrijzinnig-democraten niet bij voorbaat willen berusten in een occupatie. Wij zullen ons eventueel beroepen op ons goed recht en appelleeren op de openbare meening en op den Volkenbond. Zeer juist! Maar heeft niet dezelfde spreker even te voren uitgeroepen: „Verbodsbepalingen van het volkenrecht ten behoeve der niet-combattanten? IJdele hoop.” Heeft niet de heer v. E. verklaard, dat het volkenrecht in tijd van oorlog (en wij hebben het toch immers over oorlog?) een moreele contradictie is en aanstonds bezwijkt onder de aanstormende hartstochten? Heeft hij niet gezegd, dat in den oorlog slechts machtswaan en zelfgenoegzaamheid heerschten? En op een sfeer, waarin zoodanig geestesgesteldheid heerscht, wil de heer v. E. apelleeren, nadat ons volk dóór verzaking zijner volkenrechtelijke verplichtingen niet alleen elke aanspraak op bescherming en steun, maar ook elk recht op eerbied en sympathie der machtigen zal hebben verbeurd.
Want ziet: het gaat hier niet alleen om ons belang, het gaat hier boven alles om onzen plicht tot handhaving van het recht. Een onzijdigen staat, die zelf nimmer oorlog zal zoeken, die in volle overtuiging meewerkt aan de versterking der internationale rechtswaarborgen en rechtsgemeenschap, die geen ander begeeren heeft dan in de volkerengemeenschap zichzelf te blijven en zich niet te mengen in de geschillen van anderen, zulk een staat moedwillig aan te randen ten bate van zijn eigen krijgsbelang, te vernederen en onder den vloek van het oorlogsgeweld te brengen, dat is onrecht, gruwelijk onrecht. Er is geen moraal ter wereld, geen rechts- of ethisch beginsel, geen beschavingspeil, geen standpunt van eer en waardigheid, dat niet verzet tegen onrecht plicht heet.
Eén volk te doordringen van zijn roeping dien plicht te vervullen, ook ten koste van lijden en offers, ook ten koste van het leven, dat is een zedeleer, welke een natie opheft en sterkt, haar zedelijk gevoel bevredigt, haar rechtmatig zelfbewustzijn schraagt. Maar een propaganda, die onder bedreiging met dood en verderf en voorspiegeling van overdreven of vermeende gevaren, angst en schrik tracht te wekken,  die aldus verantwoordelijkheidsgevoel, energie en zelfvertrouwen ondergraaft, een propaganda, welke speculeert op menschelijke lafheid en egoïsme, en die van het materieel belang een afgod maakt, waaraan plicht en recht geofferd worden, zulk een propaganda haalt een volk neer, verzwakt en verlaagt het, knot zijn zedelijk weerstandsvermogen en maakt onwaardig, zelfstandig deelgenoot eener hoogere rechtsgemeenschap te zijn.
Zulk een propaganda blijf ik verderfelijk noemen.”
Toen de eerste spreker opmerkte, dat de dividenden van de wapenfabrikanten in elk geval “beveiligd” worden, klonk, ondanks het verbod uit de zaal applaus op. Ook werd nogal eens gelachen, terwijl af en toe een sissend geluid de ontsteltenis van een deel der toehoorders verried.
Toen spreker er van gewaagde welke middelen zouden worden toegepast, tenzij het Nederlandsche volk zijn regeering die wapenen uit de hand sloeg werd het applausverbod aan de toehoorders te machtig. Met een daverend handgeklap, dat schier tot een ovatie aanzwol, betuigde men zijn instemming met de desbetreffende passage.
De voorzitter zag er dan ook maar van af deze uitbarsting te onderdrukken. Aan het einde van zijn rede word den spreker een ovatie gebracht.
Ook aan generaal Snijders werd bij zijn komst op het podium een applaus bereid.
Reeds spoedig ontstond in de zaal echter rumoer. Het was toen de spreker er op wees, dat prof. van Embden hem eenige vragen had gesteld, die hij „zou hebben” te beantwoorden. Op die wijze wilde spr. zich den vorm zijner rede niet laten voorschrijven. (Geroep: „aha.!” en beweging.) Ook zou spr. niet zoo grappig zijn als prof. van Embden. (Applaus.) Spr. schetste vervolgens de verschrikkingen van de oorlogsmiddelen, die vóór 1914 reeds werden toegepast, hetgeen aan enige toehoorders den kreet ontlokte: „Daarom willen wij er niets van hebben!” Bij een nadere schildering der verschrikkingen van de oude oorlogsmiddelen werd er geroepen: „Daar meen je niets van schurk!
Generaal Snijders: Meneer de voorzitter, wilt u aan dien meneer duidelijk maken, dat ik doof ben!
Geroep: Een oude grap!
De voorzitter: Men neme toch de beleefdheid in acht!

Na deze vermaning word het eenige oogenblikken stil in de zaal. Het duurde echter slechts een korte pooze. Daarna begon het rumoer opnieuw.
Aanhoudend gefluit, gebrul en gesis lokte de opmerking van gen. Snijders uit, dat de gasoorlog minder onmenschelijk en minder wreed is dan de andere strijdmiddelen. Toen hij verzekerde, dat de verplegingsduur van gaszieken korter is dan van andere gewonden, reageerde een deel der vergadering op gelijke wijze. Een stem riep: „Je zal er gezond van worden!” waarop de spr. uitriep: .„Als je ‘t niet gelooven wilt moet je ‘t maar nalezen!” welke uitroep een nieuwen storm van interrupties ontketende.
De verdere bespreking van den gasoorlog werd herhaaldelijk door fluiten, sissen en geroep onderbroken. Toen de spreker de onderstelling waagde, dat prof. van Embden zich wel niet zou laten overtuigen door zijn betoog, barstte een luid gelach los, evenzeer als toen generaal Snijders verzekerde, dat ook hij eenige geleerden achter de hand had.
Wanneer men de beschermingsmiddelen tegen den gas-oorlog buiten beschouwing laat – aldus vervolgde generaal Snijders – dan houdt alles op. Maar er worden middelen gevonden….
Een stem: En de koeien dan! (Gelach.)
Op de eerste rij maakt een der toehoorders. een luide opmerking over „democratische koeienhouders” hetgeen even een opkomend tumult uitlokt dat spoedig tot bedaren wordt gebracht door het laconieke, antwoord van den voorzitter: „Wilt u wellicht op mijn plaats gaan.zitten?”
Herhaaldelijk geeft het publiek bij de voortzetting der rede van generaal Snijders door hoongeluid, interrupties, gefluit en gesis echter nieuwe teekenen van onrust. Bij den uitroep, dat de actie van de ontwapenaars er toe leidt dat onze weermacht nog vérder naar beneden wordt gehaald, breekt een luid applaus los. Van toen af regent het interrupties.
Een juffrouw roept: „Ik heb geen eten voor mijn kind!’, een ander krijt: „Ik heb maanden lang armoede geleden” op de woorden van generaal Snijders, dat de voorstelling, die prof. v. Embden gaf, op fantasie berust, betuigden de medestanders van den generaal door applaus hun instemming. Tegen het einde van zijn rede namen echter de pacifisten weder het woord.
Felle interrupties en rauwe kreten werden om een haverklap door de zaal geslingerd.
Uitroepen als: „Dus nog meer millioenen!”,
„Sijmen zal wel betalen!”,
„Wij willen geen oorlog meer!”,
„Arme moeders !”, worden afgewisseld door dringende vermaningen van den voorzitter om stilte.
Aan het einde van de redevoering van den generaal weerklinkt luid applaus en gefluit. Een pauze van vijf minuten wordt met het zingen van anti-militaristische liederen gevuld. :

Om tien minuten over half elf vangt prof. v. Embden zijn repliek aan. Hij wordt met een langdurig applaus, aanzwellend tot een ovatie, ontvangen.
De heer Van Embden begint met het verzoek bij de repliek van generaal Snijders niet door interrupties te hinderen. Daarop gaat hij de rede van gen. Snijders na. Hoe gemakkelijk zou het niet zijn tegenover gen. Snijders den bewapenaars te verwijten van handelen uit materieele belangen, maar op dit peil wil spreeker het debat niet voeren. Spreeker bepaalt zich tot argumenten. Hij noemt het geen compliment voor minister Colijn, dat tegenover hem „een vakman”, een meer deskundige gesteld is en betoogt daarna, dat het onmogelijk is, volgens door spreker met namen genoemde deskundigen, onder wie de heer Wester, leeraar aan de Hoogere Krijgsschool, gasmaskers in voorraad te hebben tegen alle gassen. De voorbeelden, door gen. Snijders uit den afgeloopen oorlog aangehaald ten bewijze van zijn meening ten aanzien van den gas-oorlog, gelden niet voor den gasoorlog der toekomst. Het gewezen hoofd van den gasmaskerdienst zélf heeft geschreven, dat zoowel de burgerbevolking als de soldaten tegen gasaanvallen beveiligd moeten worden. En hij weet er toch iets van.
In het recente Amerikaansche ontwapeningsplan wordt gewaagd van de vernietiging van geheele bevolkingen. In den commissie, die dit plan heeft uitgewerkt, hadden militaire deskundigen zitting als generaal Bliss.

Het heeft geen zin te zeggen, dat de wreedheid van den gasoorlog overdreven is door op de middelen tot beveiliging te wijzen. Want zelfs bij beveiligingsmogelijkheden is de wreedheid der gasaanvallen niet minder. Dat Nederland geen offensief zal beginnen, zooals spr.’s tegenstander zeide, is niet te vereenigingen met de woorden van minister Van Dijk, die verklaarde dat, hoewel het leger in de eerste plaats defensief moet zijn, het in zijn beweging geheel vrij moet zijn.
Men mag wijzen op de invloeden van moraal en volksvertegenwoordiging bij dreigend oorlogsgevaar, maar dan is het voor die invloeden reeds te laat. Ook het wijzen op het volkenrecht heeft weinig beteekenis, omdat het niet in staat is de voorbereiding tot den oorlog te verhinderen. Wanneer de volken elkaar in hartstocht naar de keel vliegen, dan helpen geen reglementen. Hetzelfde vindt men immers in de burgermaatschappij. Wanneer men daar met revolvers en lange messen rond liep, wat zou het dan helpen of men voorschriften gaf voor de wijze waarop men elkaar mag toetakelen?
De kleine staten, die in den oorlog betrokken werden, zijn alle onder de voet geloopen, betoogde spr. vervolgens, om daarna te zeggen, dat de vrijz.-democraten strijden tegen de bewapening, omdat het z.g. minimum een bodemloos vat is, waarin de millioenen verdwijnen.
De voorbereiding ten oorlog heeft altijd oorlog tot resultaat gehad en toch hebben de.bewapenaars -den treurigen moed op bewapening aan te dringen. Net zoo lang tot één volk den zedelijken moed heeft te zeggen: nu is het uit.
De nationale ontwapening nadert. Denemarken en Zweden gaan voor, in ons land wordt de strooming voor de ontwapening steeds sterker, in; de heéle wereld wordt de idee sterker. De militairisteh vechten voor een verloren zaak! (Daverend applaus).
Generaal Snijders vangt zijn repliek aan onder, groot rumoer. De vergadering begint te verloopen. De spreker is volkomen onverstaanbaar en ziet onder lawaai en gefluit van het woord af. Een deel der vergadering zingt de Internationale.
Als de voorzitter eindelijk zich verstaanbaar weet te maken spreekt hij een slotwoord, dat echter weldra weer in rumoer verloren gaat. Wanneer hij zegt, dat de vergadering alle reden heeft tevreden te zijn, wordt van de bestuurstafel van Ons Leger herhaaldelijk geroepen: „Schandaal! Schande!”
Onder het zingen van de Internationale en het anti-militairistenlied gaat de vergadering uiteen.

vlijmscherp advertentie

De muziek die u hoorde is bijeengezocht door B & G archivarissen Fred de Kok en Marijke Res.

Dit zijn de gegevens:

De Internationale uit ong. 1910:  Het ‘Amsterdamsch Socialisten Kwartet’ op het ‘Jumbola’-label.

Vrijheidslied ook uit ong. 1910: Het ‘Amsterdamsch Socialisten Kwartet’ op het ‘Jumbola’-label.

De wapens neer: Opname in verkiezingsreeks van de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij in Nederland gemaakt eind 1928/begin 1929, bestemd voor de verkiezingen van 3 juli 1929. Orkest, mogelijk Duits, speelt het strijdlied ‘De wapens neer’, geschreven door Henri Weyts (±1890). Het lied roept de arbeiders op (militaire) dienst te weigeren.

Een Belgische opname van ‘De Internationale’ wordt uitgevoerd in twee versies: een instrumentale versie mét en zonder zang. De Nederlandse tekst is bewerkt door Adriaan Roland Holst op de muziek van A. Degeyter.

De plaat is uitgegeven door het Algemeen Belgisch Vakverbond (FGTB) en werd uitgegeven door Sobedi. De uitvoerenden zijn: de ‘Lasallekring’ (zang); ‘De Werker’ (orkest); het ‘Socialistisch Mannenkoor’ en de ‘Socialistische Harmonie’.

De Internationale: Tussen 1935 en 1940, een belgische opname van de ’De Internationale’  in twee versies: een instrumentale versie mét en zonder zang. De Nederlandse tekst is bewerkt door Adriaan Roland Holst op de muziek van A. Degeyter. De plaat is uitgegeven door het Algemeen Belgisch Vakverbond (FGTB) en werd uitgegeven door Sobedi. De uitvoerenden zijn: de ‘Lasallekring’ (zang); ‘De Werker’ (orkest); het ‘Socialistisch Mannenkoor’ en de ‘Socialistische Harmonie’.

De Internationale: George Hofmann begeleid door orkest zingt ‘De Internationale’. Hij zingt de Nederlandse tekst, vertaald door Henriëtte Roland Holst.

En een Internationale die in 1958 door het 19e congres van de CPN ter afsluiting werd gezongen.

Bewerking Marjoke Roorda