Stad van de ToekomstHoe ziet de toekomst van de stad eruit? Hoe zien de steden van de toekomst eruit?

Deze vragen stonden afgelopen zondag centraal in de architectuur-lezing ‘De Stad van de Toekomst’ van architect Winy Maas (MVRDV) in het kader van het Holland Festival. Het werd een heus multimedia-event met vier grote videoschermen, waarop Maas tussen de gesprekken door steeds korte beeldfragmenten vertoonde, en met maar liefst vier gasten aan tafel: Jacqueline Cramer (minister van VROM), Adjiedj Bakas (trendwatcher en auteur), Rudolf Das (futuroloog en auteur) en Adri Duivesteijn (wethouder in Almere).

Onomstreden antwoorden op deze vragen kwamen er natuurlijk niet, maar wel een heleboel losse ideeën en speculaties. Sommige werden door de anderen direct onhaalbaar verklaard, andere positiever ontvangen. Ter inspiratie hieronder enkele voorbeelden:

Winy Maas presenteerde het visioen op de afbeelding hierboven (uit de film SKYCAR CITY): vliegende auto’s zouden alle fileproblemen oplossen en het ons mogelijk maken te vliegen waar we maar heen willen. De reactie van Rudolf Das: ‘Dit gaat Nooit, dames en heren! Dit is Echt Waanzin!’.

Rudolf Das zelf verwachtte veel van windmolenparken in de Noordzee, die wind gebruiken om omdijkte stukken zee leeg te pompen, waarna instromend water de energie zou kunnen opleveren voor pieken in de energiebehoefte. Minister Cramer (bemoedigend): ‘Dit idee is lang niet zo futuristisch als de meeste andere ideeën van de heer Das.’ Adjiedj Bakas: ‘De meeste windmolens draaien niet op wind, maar op subsidie.’

Minder concreet uitgewerkte ideeën werden positiever ontvangen. Zo verwacht minister Cramer veel van een veranderende rol van de overheid: die moet een integrale aanpak hanteren in vraagstukken van ruimtelijke ordening, duurzaam bouwen stimuleren en de zoektocht naar nieuwe energiesystemen bevorderen. Ook Adri Duivesteijn zag veel positiefs aan de horizon: de crisis schept wellicht ruimte voor een grotere rol van overheid en burger ten opzichte van projectontwikkelaars, maar anders dan in het verleden. De overheid moet meer faciliterend optreden en een integrale aanpak hanteren. Hij laakt bouwplannen als Zeeburg/IJ-oevers, omdat die veel te institutioneel zijn aangepakt, ‘terwijl we daar een nieuwe grachtengordel hadden kunnen laten ontstaan!’. Hij bepleit daarom een nieuwe balans met meer flexibiliteit en meer ruimte voor inbreng van individuele bewoners.

Adjiedj Bakas verwachtte dat de crisis enerzijds regressieve architectuur zou opleveren, maar anderzijds – net als in de jaren dertig – meer ruimte zou bieden voor experimenten. Het einde van het goedkope geld zou ons dwingen tot hervormingen, een focus op waarde en zou de lucht uit het systeem kunnen halen. Rudolf Das trok de pleidooien voor een integrale aanpak door naar een voorstel voor een ‘Ministerie van de Toekomst’, waarin een minister voor pakweg 15 of 20 jaar benoemd zou worden, om te voorkomen dat alle plannen elke vier jaar opnieuw veranderen. Geen van de anderen ging hier serieus op in.

Wat er allemaal van terechtkomt? Dat moet de toekomst uitwijzen. In ieder geval moet het bijzonder aardig zijn om over een jaar of 30 deze architectuur-lezing nog eens terug te zien.