<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>VPRO Eeuw van de stad &#187; Artikelen</title>
	<atom:link href="http://eeuwvandestad.nl/archives/category/bron/artikelen/feed" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://eeuwvandestad.nl</link>
	<description>Eeuw van de Stad Voor het eerst in de geschiedenis woont meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. En de mondiale trek naar de stad gaat onverminderd door. Wat beweegt de nieuwkomers om hun geluk te beproeven in de grote stad? Hoe houden we de stad leefbaar? De VPRO stort zich twee weken lang in het stadsleven, op zoek naar nieuwe ideeën om de stad van de 21ste eeuw vorm te geven en om antwoord te geven op de vraag: maakt de mens de stad of maakt de stad de mens?</description>
	<lastBuildDate>Thu, 18 Aug 2011 12:40:58 +0000</lastBuildDate>
	<generator>http://wordpress.org/?v=2.8</generator>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
			<item>
		<title>Mijn Droomstad: Jouwstad/Mijnstad</title>
		<link>http://eeuwvandestad.nl/archives/5378</link>
		<comments>http://eeuwvandestad.nl/archives/5378#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 09 Sep 2009 11:49:24 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Joop Hopster</dc:creator>
				<category><![CDATA[2000-2009]]></category>
		<category><![CDATA[2009]]></category>
		<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Creatieve stad]]></category>
		<category><![CDATA[Mijn Droomstad]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO-Gids]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://eeuwvandestad.nl/?p=5378</guid>
		<description><![CDATA[Mijn leven speelt zich af in Droomstad. Licht is het belangrijkste materiaal waaruit Droomstad is opgebouwd. De suggestieve naam 'Droomstad' ten spijt, is deze de allerwerkelijkste en wakkerste van alle steden van dit halfrond. Ik voel mij nergens anders zo thuis in deze stad die in voortdurende opbouw verkeert en die geen moment zich op eendere wijze laat zien. Het is het licht dat de materie een bestaansvorm schenkt die nooit precies valt vast te leggen.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In mei 2009 vroeg de <em>VPRO Gids</em> lezers om een beschrijving van hun droomstad. Uit de ca. 70 inzendingen koos een door de <em>VPRO Gids</em> en het Sandberg Instituut  gevormde jury de beste vier: <a title="Mijn Droomstad" href="http://eeuwvandestad.nl/archives/category/project/vpro-gids/mijn-droomstad" target="_self">drie runners-up en een winnaar</a>. Hieronder de winnaar.</p>
<p><strong><img class="size-medium wp-image-5406 alignleft" title="droomstad-poster-klein_klein" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/droomstad-poster-klein_klein-242x300.jpg" alt="droomstad-poster-klein_klein" width="242" height="300" />JOUWSTAD/MIJNSTAD<br />
</strong>Inzending nr. 17<br />
Door Sonia Rijnhout<br />
Illustratie Peter Pontiac</p>
<p>Mijn leven speelt zich af in Droomstad. Licht is het belangrijkste materiaal waaruit Droomstad is opgebouwd. De suggestieve naam &#8216;Droomstad&#8217; ten spijt, is deze de allerwerkelijkste en wakkerste van alle steden van dit halfrond. Ik voel mij nergens anders zo thuis in deze stad die in voortdurende opbouw verkeert en die geen moment zich op eendere wijze laat zien. Het is het licht dat de materie een bestaansvorm schenkt die nooit precies valt vast te leggen.</p>
<p>Zoals iedere stad van betekenis, is Droomstad gelegen aan een grote rivier, niet ver van de monding. De rivier snijdt de stad doormidden en heeft twee tegengestelde stadshelften doen ontstaan. De ene neigt naar het licht en naar de bezigheden die de dag kenmerken en wordt door ons stadbewoners ruimhartig &#8216;Jouwstad&#8217; genoemd. De andere stadshelft heet, meer op eigen voordeel gericht, &#8216;Mijnstad&#8217; en schenkt gelegenheid aan duisterder praktijken die men, levend vanuit een veroordelende levensopvatting, wellicht ontwijken zal. Maar het is juist het verdonkerde stadsdeel dat overbevolkt en levendig is en, altijd gehuld in een duisternis die doorschijnend is, het decor vormt voor handelingen die de uitersten van het leven aangaan.</p>
<p>Lange, brede straten worden onderbroken door opeenhopingen van gebouwen waartussen labyrinthisch vertakte stegen de passant voorgoed doen verdwalen. Het moge duidelijk zijn dat hier een spel gespeeld wordt tussen architectuur en zelfdenkende aspecten in de menselijke natuur, en dat er een opzet in dit spel is.</p>
<p>Bouwval en opbouw zijn verstrengeld. De bouwval vormt de ondergrond voor de opbouw die hoger rijst naarmate de eeuwen elkaar zijn opgevolgd en in afzettingslagen gestapeld zijn. Er zijn lichtresten uit verre tijden achtergebleven, als zachte nevels hangen deze lichtresten in de duisternis rond de eclectisch ontstane bouwwerken. Het is dit licht waardoor de stedelijke materie gevormd wordt en tot leven komt en het is dit licht dat de bevolking van dit stadsdeel wegstuurt in een tomeloos bestaan.</p>
<p>Deze stadshelft wordt met een mengsel van argwaan en deernis gadegeslagen door haar &#8216;verlichte&#8217; wederhelft.</p>
<p>Die wordt gekenmerkt en vorm gegeven door hygiënische opvattingen over de omgeving waarin de stedelijke mens moet verblijven. Het zal waar zijn dat lichamen daar gedijen, maar floreren de geesten in die lichamen er? De architectuur is gebouwd op hersenspinsels en vanuit dogma&#8217;s ontstaan en plaatst deze, in materie omgezet, ongenadig in een vlak daglicht. Geen diepte, geen ruimte, maar platte weidsheid kenmerkt deze stedelijke ruimte. Er is alleen heden, het verleden is gesaneerd. Strak staan bouwwerken in gelid, omgeven door gesteriliseerde groeisels waartussen vroeg volwassenen van alle leeftijden zich heten te verpozen, verplicht genieten na verrichte arbeid die aan een steriel maatschappelijk welbevinden dienstbaar is gemaakt.</p>
<p>Het is een stad waarin de elkaar tegensprekende hoofdbestanddelen van de menselijke natuur zich kunnen manifesteren en uitleven: een uitweg zoeken in vergetelheid en streven naar zuivering, twee wegen die naar geluk leiden.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://eeuwvandestad.nl/archives/5378/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Mijn Droomstad: De Lodewijk van Deyssel-stad</title>
		<link>http://eeuwvandestad.nl/archives/5383</link>
		<comments>http://eeuwvandestad.nl/archives/5383#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 09 Sep 2009 11:48:59 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Joop Hopster</dc:creator>
				<category><![CDATA[2000-2009]]></category>
		<category><![CDATA[2009]]></category>
		<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Creatieve stad]]></category>
		<category><![CDATA[Mijn Droomstad]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO-Gids]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://eeuwvandestad.nl/?p=5383</guid>
		<description><![CDATA[Halt! Mijn stad mag u niet zomaar met de auto binnenrijden. Er staan koetsen voor u gereed die u naar uw bestemming voeren. De koetsier, gestoken in negentiende-eeuwse kledij, ment de volbloedpaarden kordaat langs schitterende lanen met kaarslantaarns.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In mei 2009 vroeg de <em>VPRO Gids</em> lezers om een beschrijving van hun droomstad. Uit de ca. 70 inzendingen koos een door de <em>VPRO Gids</em> en het Sandberg Instituut  gevormde jury de beste vier: <a title="Mijn Droomstad" href="http://eeuwvandestad.nl/archives/category/project/vpro-gids/mijn-droomstad" target="_self">drie runners-up en een winnaar</a>. Hieronder een van de runners-up.</p>
<p><img class="size-medium wp-image-5403 alignleft" title="Deysselstad_Duvekot_klein" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/Deysselstad_Duvekot_klein-245x300.jpg" alt="Deysselstad_Duvekot_klein" width="245" height="300" /><strong>DE LODEWIJK VAN DEYSSEL-STAD<br />
</strong>Inzending nr. 5<br />
Door Tamara Kieft (Nijmegen)<br />
Illustratie Eliane Duvekot</p>
<p>Halt! Mijn stad mag u niet zomaar met de auto binnenrijden. Er staan koetsen voor u gereed die u naar uw bestemming voeren. De koetsier, gestoken in negentiende-eeuwse kledij, ment de volbloedpaarden kordaat langs schitterende lanen met kaarslantaarns. U zult weldra ontdekken dat vrijwel alle huizen in de Lodewijk van Deyssel-stad in art nouveau-stijl zijn gebouwd met glas-in-loodramen, marmeren open haarden en sierlijke gevels. De balkons en trapleuningen zijn gestileerd in gracieuze bloem- en plantmotieven.<br />
Lodewijk van Deyssel (1864-1952) was een megalomane auteur, die zijn hele leven van het begin tot het einde documenteerde tot en met het Nacht-Handpapier, waarin werd genoteerd hoe laat hij naar bed ging, op welk tijdstip hij nog wakker was en op welk vermoedelijk ingeslapen, wanneer voorgoed ontwaakt en wanneer definitief opgestaan. Daarom verdient hij een eigen droomstad, gesitueerd ten noorden van zijn voormalige woonplaats Baarn. In feite behoort ter nagedachtenis van iedere Nederlandse letterkundige zo’n oord te worden ontworpen, vindt u ook niet?</p>
<p>U zult, terwijl u op roodfluwelen kussentjes zit, over een wipbrug rijden, die over een gracht ligt die de stad omringt. In de gracht ligt een groot schip als iets vast, dat bij de gracht behoort. Het schip heet ‘De Adriaantjes’ en is lichtbruin geverfd, op sommige plekken zo licht dat het donkergeel is. Bij de ronde achterkant is een venstertje. ‘Heel klein is het en toch helemaal een venster, helder groen is het houten lijstje er om heen en een héel klein wit kant gordijntje is er achter, in schuin weggeweken houding naast een potje met een er hoog uit opgekomen bloem er in.’ Het schip dient als basisschool. Aan de andere kant van de stad zetelt trouwens de middelbare scholengemeenschap ‘De kleine republiek’, in een ‘oud-grijs’ gebouw met een toren.<br />
Eenmaal de gracht overgestoken, belandt u spoedig in een sfeervol park met de naam ‘Een liefde’. Daar kunt u op een bankje plaatsnemen. ‘Hoog houden de iepen hun bladerzwaarten op de lange brede nekken der stammen geheven, en stoten hun groene ontzachlijkheden naar de hemel en werpen hun jubelende groeningen tot de blauwe effenheid en smijten hun takken uit naar alle kanten, in krampen van bloeying, in een rumoerig warrellied van stijgend en woest-willend verlangen.’</p>
<p>Bent u voldoende uitgerust? Voort! Voort! De koetsier, uw gids, legt de zweep erover. Enkele chique avenues zijn bedrukt met gedichten van Herman Gorter. In het centrum van de stad staat een imposant, negentien meter hoog, neogotisch standbeeld van de vader van Lodewijk van Deyssel: Jozef Alberdingk Thijm, de koopman-schrijver en pleitbezorger van het katholieke volksdeel in de negentiende eeuw.<br />
Een roomse kerk of kathedraal is in deze stad echter nergens te bekennen, laat staan een moskee. Er is wel een mystieke lichtkoepel, waar mensen De Schoonheid kunnen ervaren. Op deze plek kan men ontdekken dat ‘binnen een bepaalde gemoedsstemming of bewustwording tegenstellingen als aarde-hemel, wereld-paradijs, werkelijkheid-ideaal worden opgeheven, waardoor het vanaf dat ogenblik mogelijk is de aarde als de hemel, de wereld als het paradijs en de werkelijkheid als het ideaal te ervaren.’ Rond de koepel circuleren vreemde vette vogels.</p>
<p>In navolging van Lodewijk van Deyssels dandyisme zijn er in het centrum vele Jugendstil etalages van modezaken, kapsalons en nagelboetieks te bewonderen. Als u zich graag expensief en elegant kleedt en kapt kunt u hier uw hart ophalen.<br />
In de maar liefst acht theaters die de stad rijk is, voor elke windrichting één, worden onder meer stukken opgevoerd van Maeterlinck en Ibsen. Uit de vijver bij het grootste culturele podium rijzen ranke vrouwengestalten, die de actrices symboliseren met wie Lodewijk van Deyssel ooit heeft gelonkt. Maakt u gerust een sensitivistische foto.<br />
In het Harry Prick Archief, dat architectonisch nog het meest doet denken aan het Parijse Centre Pompidou, worden alle egodocumenten van Lodewijk van Deyssel bewaard, vergezeld van een complete bibliotheek met negentiende-eeuwse literaire werken. Daar kunt u tot middernacht heerlijk lezen onder het genot van een glas champagne.</p>
<p>De Lodewijk van Deyssel-stad telt ongeveer veertigduizend inwoners, die grotendeels werkzaam zijn in de culturele sector. De criminaliteitscijfers zijn er extreem laag. Alleen openbare dronkenschap en naaktloperij zijn veel voorkomende delicten.<br />
Tot slot: een prominent gebouw in de stad is Viletta, de witte classicistische ambtswoning van de burgemeester, een waardig man, die ervan doordrongen is dat de urbanisatie in de negentiende eeuw begonnen is. Het bestuur van de Lodewijk van Deyssel-stad is milieubewust, cultureel verantwoord en absoluut integer. Er worden slechts steekpenningen van chocolade geaccepteerd.<br />
Geef u gids dan een ruimhartige fooi. Denkt u bij het verlaten van de stad aan uw culturele bagage.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://eeuwvandestad.nl/archives/5383/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Mijn Droomstad: Legenda</title>
		<link>http://eeuwvandestad.nl/archives/5389</link>
		<comments>http://eeuwvandestad.nl/archives/5389#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 09 Sep 2009 11:48:33 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Joop Hopster</dc:creator>
				<category><![CDATA[2000-2009]]></category>
		<category><![CDATA[2009]]></category>
		<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Creatieve stad]]></category>
		<category><![CDATA[Mijn Droomstad]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO-Gids]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://eeuwvandestad.nl/?p=5389</guid>
		<description><![CDATA[Mijn inzending is een toelichting bij een plattegrond/visuele weergave van een droomstad. Nummers verwijzen naar nummering op de plattegrond/visuele weergave. De nummering is willekeurig en niet uitputtend; niet alle gebouwen zijn benoemd.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In mei 2009 vroeg de <em>VPRO Gids</em> lezers om een beschrijving van hun droomstad. Uit de ca. 70 inzendingen koos een door de <em>VPRO Gids</em> en het Sandberg Instituut  gevormde jury de beste vier: <a title="Mijn Droomstad" href="http://eeuwvandestad.nl/archives/category/project/vpro-gids/mijn-droomstad" target="_self">drie runners-up en een winnaar</a>. Hieronder een van de runners-up.</p>
<p><img class="size-medium wp-image-5399 alignleft" title="GroeneDakenStad (Vijselaar en Sixma)_klein" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/GroeneDakenStad-Vijselaar-en-Sixma_klein-242x300.jpg" alt="GroeneDakenStad (Vijselaar en Sixma)_klein" width="242" height="300" /><strong>LEGENDA<br />
</strong>Inzending nr. 6<br />
Door Indra Terburg (Amsterdam)<br />
Illustratie Vijselaar en Sixma</p>
<p>&#8216;Eeuw van de Stad&#8217; is een thema dat mij zeer aanspreekt. In mijn werk als schilder is de stad bijna altijd het onderwerp, zie <a title="Website van Indra Terburg" href="http://www.indraterburg.nl" target="_blank">www.indraterburg.nl</a>. Ik ben benieuwd wat anderen zullen visualiseren bij mijn inzending. Ik heb er zelf wel een beeld bij, maar anderen hebben ongetwijfeld heel andere ideeën over hoe ze mijn woorden kunnen omzetten in beelden. Mijn inzending is een toelichting bij een plattegrond/visuele weergave van een droomstad. Nummers verwijzen naar nummering op de plattegrond/visuele weergave. De nummering is willekeurig en niet uitputtend; niet alle gebouwen zijn benoemd.</p>
<p>1 Inpandige garages voor fietsen en andere door mensenkracht aangedreven voertuigen. Is verplicht aangebracht bij elke nieuw gebouwde woning of kantoorruimte in de stad. Het netwerk van fietspaden is zeer sterk uitgebreid ten opzichte van autowegen. Op fietspaden mogen ook kleine elektrische voertuigen rijden.</p>
<p>4 Daktuinen. Het stedelijk dak is groen, afgewisseld met zonnecollectoren. Daktuinen voor het kweken van eetbare gewassen zijn overal, zelfs op heel kleine daken. Oudere gebouwen hebben kleinere tuintjes op het dak, nieuwere gebouwen hebben grotere tuinen, omdat daar bij het ontwerp al rekening gehouden is met de grotere draagkracht. Sinds de kweek van hennepplanten voor marihuanaproductie volkomen legaal is, worden deze in plaats van illegaal binnenshuis, gewoon op het dak verbouwd.</p>
<p>7 Stedelijke binnentuinen. Binnentuinen zijn voor algemeen gebruik, schuttingen mogen niet meer tot de grond, zodat dieren (zoals egels) daar vrije doorgang hebben. Binnentuinen zijn vaak verbonden met groene corridors, zodat wilde dieren door de stad kunnen trekken, in plaats van aan de randen te moeten blijven hangen.</p>
<p>10 Terrein voor tijdelijke vestiging. Doordat iedereen steeds meer bekend is bij de overheid en zich (in Nederland vanaf veertien jaar) moet kunnen legitimeren, is het in deze Nederlandse stad mogelijk gemaakt dat nomaden de stad weer aandoen. Immers: iedereen is toch bekend bij de overheid, of kan dat binnen korte tijd zijn. Behalve Roma en Sinti, van oudsher gewend rond te kunnen trekken, doen ook andere nomaden de stad aan. Moe van het in anonieme hotels verblijven, zijn er nieuwe groepen (stads)nomaden ontstaan, vaak werkzaam in het bedrijfsleven. In deze stad verblijven zij vaak op plekken in de rafelranden van de stad, naast de rivier die er middendoor loopt.</p>
<p>15 Verticale tuinen. Tegen gevels van gebouwen in de binnenstad, waar relatief toch nog weinig groen is, zijn er verticale tuinen aangelegd, waardoor het kan zijn dat je de hoek omslaat en stuit op een groene muur.</p>
<p>16 Bijenkorven. Niet de winkelketen, maar korven voor bijen. Door alle stadstuinen is het mogelijk dat er ook stadsimkers zijn. Stadshoning verkrijgbaar in verschillende “wijksmaken”. Jaarlijks honingconcours: “Welke Wijk Smaakt Het Beste?”. Winnaar vorig jaar was de ‘alpine honing’ uit de zuidelijke hoogbouw (dak 120e etage).</p>
<p>17 Ondergrondse parkeergarages voor elektrische stadsautootjes. Stopcontacten/oplaadstations door de hele stad. Omdat de elektrische autootjes te stil zijn, is op verzoek van blinden en slechtzienden extra geluid toegevoegd. In plaats van de typische geluiden van de benzinemotor, zijn er nu de op krekelgetjirp lijkende geluiden van elektrische auto’s te horen in de stad.</p>
<p>18 Doordat de welstandscommissies zijn afgeschaft is de diversiteit aan vorm en kleur van gebouwen enorm toegenomen:<br />
18a De Gouden Krakeling<br />
18b De Paarse Hoek<br />
18c De Roze Buurt<br />
18d Het Vale Straatje<br />
18e Het Spiegelpaleis<br />
18f Winkelcentrum in de vorm van een VOC-schip<br />
18g Ondergrondse concerthal in binnenstad met disco en bovengronds beeldscherm, woningen in hoogbouw erboven.</p>
<p>19 Speeltuinen. Speeltuinen zijn groot en niet per se voorzien van speeltoestellen. Er ligt losse rotzooi om mee te spelen, het terrein is voorzien van heuvels, waterpartijen en begroeiing. Bovendien is het niet mogelijk van buitenaf overal toezicht te houden op de spelende kinderen. Een speelterrein is duidelijk wat anders dan een sportterrein, zie nr. 21.</p>
<p>21 Sportterreinen. Geïntegreerd in de stad. “Parkour” is een echte volkssport geworden, er is een internationale stedencompetitie. Voordeel: voor deze sport hoeven er geen sportterreinen te worden aangelegd, de hele stad is het speelveld.</p>
<p>22 Station voor vuilnisrobotjes. Deze kunnen zelfstandig straatvuil ruimen. Hondedrollen ruimen ze ook op. Door DNA-herkenning kunnen ze ook het baasje van de hond laten betalen voor de vervuiling. Dit hoeft geen boete te zijn, het baasje kan ook gewoon een abonnement nemen als diegene geen zin heeft de ontlasting van zijn huisdier zelf op te ruimen. De robotjes kunnen ook het vuil scheiden en waar nodig demonteren. Het afbreekbare afval wordt gebruikt bij het maken van compost, voor de groene daken.</p>
<p>23 De Markten. Overal (bijvoorbeeld onderin wolkenkrabbers) zijn kleine buurtmarktjes, al dan niet overdekt. Streekproducten hebben een grote vlucht genomen doordat in supermarkten prijzen moeten worden berekend die hoger zijn naarmate het voedsel verder weg komt. Bovendien moet de vervuiler betalen, en is het biologisch vervaardigd product daardoor goedkoper geworden dan het conventionele product. voedselproducenten verkopen hun waar vaak zelf. Groentewinkels verkopen vaak waar die in de stad geteeld is.</p>
<p>24 Buizenpost controlekamer. De buizenpost is in ere hersteld. Doordat de gewone post nog maar twee keer per week werd bezorgd, werd buizenpost weer commercieel interessant.</p>
<p>28 Zeppelinhaven. Zowel voor personen- als goederenvervoer worden steeds vaker zeppelins benut.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://eeuwvandestad.nl/archives/5389/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Mijn Droomstad: Futurorganica</title>
		<link>http://eeuwvandestad.nl/archives/5392</link>
		<comments>http://eeuwvandestad.nl/archives/5392#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 09 Sep 2009 11:47:42 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Joop Hopster</dc:creator>
				<category><![CDATA[2000-2009]]></category>
		<category><![CDATA[2009]]></category>
		<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Creatieve stad]]></category>
		<category><![CDATA[Mijn Droomstad]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO-Gids]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://eeuwvandestad.nl/?p=5392</guid>
		<description><![CDATA[Hierbij de de gezamenlijke droom van drie architectuurliefhebbers. Wat maakt een stad aantrekkelijk en wat gaat – op den duur – tegenstaan? In het verleden veranderden de woonbehoeften slechts geleidelijk en werd deze bevredigd door het bouwen van huizen die slechts een beperkte levensduur hadden. Zeker in Nederland met zijn slappe bodem.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In mei 2009 vroeg de <em>VPRO Gids</em> lezers om een beschrijving van hun droomstad. Uit de ca. 70 inzendingen koos een door de <em>VPRO Gids</em> en het Sandberg Instituut  gevormde jury de beste vier: <a title="Mijn Droomstad" href="http://eeuwvandestad.nl/archives/category/project/vpro-gids/mijn-droomstad" target="_self">drie runners-up en een winnaar</a>. Hieronder een van de runners-up.</p>
<p><strong><img class="size-medium wp-image-5397 alignleft" title="futurorganicaCMYK_Mokerontwerp_klein" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/futurorganicaCMYK_Mokerontwerp_klein-236x300.jpg" alt="futurorganicaCMYK_Mokerontwerp_klein" width="236" height="300" />FUTURORGANICA<br />
</strong>Inzending nr. 16<br />
Door Loba van Heugten (Kopenhagen), Flemming van Heugten (Bonn) en Harry Sluyter (Amsterdam)<br />
Illustratie Moker Ontwerp</p>
<p>Hierbij de de gezamenlijke droom van drie architectuurliefhebbers.<br />
Wat maakt een stad aantrekkelijk en wat gaat – op den duur – tegenstaan? In het verleden veranderden de woonbehoeften slechts geleidelijk en werd deze bevredigd door het bouwen van huizen die slechts een beperkte levensduur hadden. Zeker in Nederland met zijn slappe bodem. Nu veranderen al onze (woon)behoeften steeds vaker, terwijl de woningen steeds duurzamer gebouwd worden en slechts beperkt aan te passen zijn. Wij willen dat veranderen door op twee gebieden te experimenteren: De bouw zelf en de bouwlocaties.<br />
Wij zien Futurorganica: de stad van de toekomst, als een levend organisme dat zich aan de omstandigheden aanpast. De inwoners leggen zich vast voor een bepaald huis en locatie voor periodes van (maximaal) 10 jaar.</p>
<p><strong>De bouw</strong><br />
Ons idee van het huis van de toekomst is gebaseerd op de traditionele Japanse huizen. Niet qua architectuur, maar qua filosofie: de gebruikte materialen gaan niet eeuwen maar generaties mee. Op deze manier wordt rekening gehouden met de eisen van nieuwe generaties bewoners. In samenhang daarmee wordt gekozen voor bouwmaterialen die wel langere tijd meegaan maar beperkte houdbaarheid genieten. Materialen die na het verliezen van hun functie niet als ongewenste elementen voort blijven bestaan maar zich makkelijk laten oplossen. (Zie William McDonough en Michael Braungart: <em>Cradle to Cradle</em>).</p>
<p><strong>De locatie</strong><br />
Ons idee voor de locatie van de toekomst is ook gebaseerd op Japanse ontwikkelingen. In de Baai van Tokyo drijft een kunstmatig eiland met een lengte van 1000 meter ter beproeving van een mogelijk drijvend vliegveld. De testresultaten zijn bevredigend. Dergelijke eilanden hebben een voorziene levensduur van 100 jaar en zijn goedkoper en snelle te bouwen dan d.m.v. landwinning. (zie <a title="JSCE - Civil Engineering" href="http://www.jsce-int.org/civil_engineering" target="_blank">www.jsce-int.org/civil_engineering</a>). Waarom dan ook niet drijvende eilanden als leefomgeving? Daarmee sluiten we aan op eeuwenoude wooncultuur op het Ticitaka Meer in Zuid-Amerika. Als locatie valt in Nederland te denken aan zowel het IJsselmeer als de Noordzee. Bijkomend voordeel boven inpoldering is dat het stijgen van de zeespiegel tengevolge van de klimaatswijziging makkelijker te ondervangen is.<br />
Wij hebben daarbij een langzame ontwikkeling voor ogen van een toenemend aantal eilanden. Eilanden van uiteenlopende grootte en onderlinge afstand. Door aanvankelijk onderlinge afstanden in te bouwen die tot honderden meter kunnen oplopen is het mogelijk om latere stadsuitbreiding te doen plaats vinden door nieuwe eilandjes tussen te voegen. Dit in plaats van de traditionele stadsuitbreiding waarbij de stad zich naar buiten toe uitbreidt. Door onder meer gebruik te maken van pontonbruggen is ook de onderlinge verbinding relatief makkelijk aan te passen. Maar niet alleen de “onontgonnen wateren” willen we tussentijds veranderd zien. Draai ook eens een eiland een kwartslag. Of leg het een paar honderd meter van zijn oorspronkelijke locatie vast aan een ander eiland. Een veranderend aanzien wordt nog versterkt door het tijdelijk doen aanmeren van woonboten.</p>
<p><strong>De woonomgeving</strong><br />
Door te kiezen voor de drijvende eilanden kiezen wij ook voor de bouw van relatief lage gebouwen met voornamelijk een woonfunctie. Grote gebouwen met een werkfunctie zien wij vooral op het aangrenzende vasteland, waar zich ook de uitvalswegen bevinden. Blijft over de faciliteiten met een culturele- en ontspanningsfunctie. Daarbij willen wij vooral veel parken laten ontstaan. Parken zijn zeer laagdrempelig en een smeltkroes voor alle bevolkingsgroepen. Daarom willen wij culturele manifestaties zo veel mogelijk naar de parken halen, deels door tijdelijke faciliteiten te bieden. Theater en sport in grote tenten of modulaire accommodaties. Het Amsterdamse Westerpark heeft daarbij een goede voorbeeldfunctie.<br />
Scholen, gebouwd op hun eigen eiland, kunnen verplaatst worden indien kinderrijke buurten vergrijzen naar eilanden waar inmiddels een groeiende behoefte aan scholen is ontstaan.</p>
<p><strong>Tijd voor verandering</strong><br />
Ondanks de ingebouwde flexibiliteit kan zelfs deze stad op den duur gaan tegenstaan. Onze ervaring is dat een maximale grootte van 1 miljoen inwoners  aanvaardbaar is. Grotere steden die wij bezochten mogen dan hun charme hebben, maar vaak bleek de aantrekkingskracht tot het centrum beperkt. Buitenwijken doen nauwelijks vermoeden welk stadscentrum dezelfde stad rijk is en de stad verliest bij elke stadsuitbreiding meer zijn samenhang. Daarom vinden wij dat de drijvende stad bij het bereiken van de limiet van een miljoen inwoners opgesplitst moet worden in twee kleinere archipels. Maar niet door een bruisend hart te scheiden van slaperige buitenwijken, maar door juist die kern zich te laten splitsen zoals een eencellig levend organisme zich splitst om als twee gelijkwaardige nieuwe eenheden verder te gaan. Met sleepboten kunnen nieuwe locaties op tientallen kilometers afstand van de oude gevonden worden. Niets zo veranderlijk als Futurorganica.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://eeuwvandestad.nl/archives/5392/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Ode aan de stad 1: Mexico-Stad, zinkende galaxie</title>
		<link>http://eeuwvandestad.nl/archives/5056</link>
		<comments>http://eeuwvandestad.nl/archives/5056#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 08 Sep 2009 14:46:44 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Joop Hopster</dc:creator>
				<category><![CDATA[2000-2009]]></category>
		<category><![CDATA[2009]]></category>
		<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Cees Zoon]]></category>
		<category><![CDATA[Mexico]]></category>
		<category><![CDATA[Mexico Stad]]></category>
		<category><![CDATA[Midden-Amerika]]></category>
		<category><![CDATA[Ode aan de stad]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO-Gids]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://eeuwvandestad.nl/?p=5056</guid>
		<description><![CDATA[Een van de grootste steden ter wereld verdwijnt langzaam maar zeker in de aardbodem. Mexico: een onmogelijke stad, een onleefbare asfaltjungle met nachtmerrieverkeer, maar ook een stad die veel van zijn goede ouderwetsheid heeft bewaard.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>In september 2009 presenteert de VPRO op televisie, radio, internet en in de gids het project </em><a title="Eeuw van de Stad" href="http://www.eeuwvandestad.nl" target="_blank">Eeuw van de stad</a><em>, waarin de kwaliteit van onze steden in al hun verscheidenheid centraal staat. Als opmaat publiceerde de </em><em>VPRO Gids een <a title="Serie 'Odes aan de stad'" href="http://eeuwvandestad.nl/archives/category/project/vpro-gids/ode-aan-de-stad" target="_self">serie &#8216;Odes aan de stad&#8217;</a>, met odes van Cees Zoon (Mexico-Stad), Carolijn Visser (Shanghai), Filip De Boeck (Kinshasa), Anil Ramdas (New Delhi), Christine Otten (Detroit) en Jaap Scholten (Budapest)</em>.</p>
<p><strong><img class="size-medium wp-image-5376 alignleft" title="5056" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/50562-300x300.jpg" alt="5056" width="300" height="300" />Afl. 1: Mexico-Stad, zinkende galaxie</strong><br />
Een van de grootste steden ter wereld verdwijnt langzaam maar zeker in de aardbodem. Mexico: een onmogelijke stad, een onleefbare asfaltjungle met nachtmerrieverkeer, maar ook een stad die veel van zijn goede ouderwetsheid heeft bewaard.</p>
<p><em>door Cees Zoon</em></p>
<p><em> </em>De <em>Angel de la Independencia</em> is een goudkleurige engel die hoog boven de Avenida Reforma op een pilaar balanceert. Het nationale symbool van Mexico, met een beetje goede wil te vergelijken met het monument op de Dam, is stevig verankerd op zijn betonnen grondvesten aan de hoofdslagader van Mexico-Stad. Maar met de omringende grond is het minder best gesteld. Die verzakt in zo’n hoog tempo dat je het bijna kunt gadeslaan. Het gevolg is dat het aantal traptreden van het monument voortdurend moet worden aangepast: oorspronkelijk waren er negen treden, nu zijn het er al 23.</p>
<p>Mexico-Stad verdwijnt langzaam maar zeker in de aardbodem. Het centrum van een van de grootste steden ter wereld ligt op sommige punten tien meter lager dan honderd jaar geleden. De verzakking is het gevolg van het ongelimiteerd opzuigen van het bodemwater, een praktijk waar alle specialisten al tijden voor waarschuwen, maar die gezien het enorme watertekort in de stad alleen maar zal verergeren. Er zijn gebouwen in het historisch centrum die tussen de tien en veertien centimeter per jaar zakken. Een voorstadje als Xochimilco, bekend om zijn kanalen, zakt zelfs veertig centimeter per jaar de grond in. Dat krijg je wanneer je een wereldstad midden in een meer bouwt.</p>
<p><strong>Waterhuishouding</strong><br />
De Azteken bouwden Tenochtitlan, de hoofdstad van hun rijk, op een verzameling eilandjes in een ondiep meer. Een indrukwekkende constructie, die alleen letterlijk het hoofd boven water kon houden door het bewaken van een perfect ecologisch evenwicht en een uitgebalanceerde waterhuishouding. De Spaanse <em>conquistadores</em>, die aan het begin van de zestiende eeuw de stad veroverden, hadden hier totaal geen oog voor. Zij begonnen lukraak te bouwen volgens hun eigen geïmporteerde ideeën, een trend die eigenlijk tot op de dag van vandaag niet is gestopt. Wat de Mexicaanse nazaten wel geleerd hebben is dat je hier moet bouwen op palen. Dit is waarschijnlijk de enige stad buiten Nederland waar je constant het zo Hollandse geluid van heimachines kunt horen.</p>
<p>Het gevaar van algehele verzakking wordt er niet door bezworen. Maar deze stad houdt van gevaren en het uitdagen van de natuur. Niet alleen staat zij op drijfzand, boven haar hangen de dreigende schaduwen van het vulkanenpaar Popocatépetl en Iztaccihuatl, die meeschudden wanneer de zoveelste aardbeving door de stad siddert. Gemiddeld krijgt Mexico-Stad één grote aardbeving per decennium te verwerken en één vernietigende per eeuw. De laatste in die categorie was in 1985, toen ruim tienduizend mensen omkwamen en tal van centrale wijken met de grond gelijk werden gemaakt. Onheilsprofeten verkondigen dat het Mexico-Stad zal vergaan als de roemruchte Maya-steden van duizend jaar geleden, die na een bloeiperiode simpelweg van de kaart verdwenen: op een dag zal de aarde zich openen rond de hoofdstad van Mexico, de complete stad opslurpen en zich weer sluiten.</p>
<p><strong> Asfaltjungle<br />
</strong>Daar hoeft niemand om te rouwen, voegen dezelfde onheilsprofeten er aan toe. Mexico-Stad is immers een onleefbare asfaltjungle die laat zien tot welke monsterlijke proporties het samenleven van mensen kan worden opgeblazen. De stad Mexico wordt vaak verward met het stedelijke gebied van het Dal van Mexico. Dat omvat het Distrito Federal (het Federaal District, de officiële naam van de hoofdstad, in het dagelijks spraakgebruik gereduceerd tot df) en de 59 aangrenzende gemeenten van de Staat Mexico. In het eerste geval is de stad groter dan de provincie Utrecht, in het tweede net zo groot als Utrecht en Gelderland samen. Er wonen 18 miljoen inwoners, meer dan in heel Nederland. Of 25 miljoen als je de uitlopers naar andere aangrenzende staten meerekent. Wanneer je ’s avonds per vliegtuig arriveert krijg je een goed idee van de omvang van de moloch: bijna een uur lang vlieg je over een eindeloze zee lichtjes, alsof beneden niet een mensenstad ligt maar een galaxie. ‘Hier is zelfs de lust tot bidden vergaan,’ luidt een bekende grap, ‘want zelfs de Heer ziet geen onderscheid meer bij zoveel mensen op een kluit.’</p>
<p>Een onmogelijke stad. De Guía Roji, het meest verkochte stratenboek, telt meer dan honderd straten die Benito Juárez heten (genoemd naar een negentiende-eeuwse president), meer dan tweehonderd straten met de naam Venustiano Carranza (een van de hoofdrolspelers van de Mexicaanse Revolutie), meer dan tweehonderd straten Cinco de Mayo (5 mei, refererend aan 1862 toen het Mexicaanse leger een Franse invasiemacht versloeg), en rond de driehonderd straten met de naam Lázaro Cárdenas (de president die in de jaren ‘30 van de vorige eeuw de olie nationaliseerde). Het is hier volslagen zinloos een straatnaam te kennen als je niet weet in welke wijk je moet zijn. ‘Dit is de enige stad in de wereld waar ik bang was voorgoed te verdwalen,’ zei de Italiaanse schrijver en wereldreiziger Claudio Magris ooit.</p>
<p><strong> Koolmeesje<br />
</strong>Het spreekt dat het verkeer een nachtmerrie is. Dagelijks moet je de plaag van de peseros verduren, de minibusjes die je overal van de sokken rijden, niet stoppen voor verkeerslichten en geen enkele andere verkeerswet respecteren, terwijl tussendoor de even agressieve brommers van de pizzabezorgers krioelen. De stad is een kakofonie van herrie, motoren zonder uitlaat, sirenes in alle toonsoorten. Bijna vier miljoen gemotoriseerde voertuigen bewegen zich hier elke dag, waaronder 90.000 taxi&#8217;s, 10.000 bussen en 200.000 vrachtwagens. De vorige burgemeester Andrés Manuel López Obrador noemde Mexico &#8216;de stad van de hoop&#8217; en legde doodleuk boven op de ringweg een &#8216;tweede verdieping&#8217; aan, een snelweg op palen. De bijbehorende stank afkomstig van het verkeer verleidde de Mexicaanse schrijver Caros Fuentes ertoe df een nieuwe naam op te plakken: Makesicko-City.</p>
<p>Maar als ik het raam van mijn werkkamer aan de straatkant open doe, hoor ik de vogels fluiten. Een koolmeesje springt uit de boom op de vensterbank en kijkt nieuwsgierig de kamer in. Uit de verte komen de tonen van een draaiorgeltje naar binnen waaien. En het park op de hoek is een uitgestrekt groene zee van bomen opgeluisterd met klaterende fontijnen. Mijn buurt La Condesa ligt midden in de stad en is bijzonder leefbaar, zoals veel andere buurten dat ook zijn. Met een overdaad aan groen, al moet je natuurlijk wel van asfalt houden om in Mexico-Stad te willen wonen. De megastad omvat veel voormalige dorpen die door de urbanisering zijn opgeslorpt, zoals de beroemde Coyoacán en San Angel, die bij elkaar gehouden worden door het weefsel van het nachtmerrieverkeer, maar intern de rust zelve blijven.</p>
<p><strong>Straatmuzikanten<br />
</strong>In La Condesa moet het verkeerslawaai het afleggen tegen de altijd aanwezige muziek van de straatmuzikanten. Voor een café speelt een saxofoon, voor de tent ernaast een gitaar, op een straathoek een akkordeon, bij het stoplicht een draaiorgeltje (altijd bemand door twee geüniformeerden van wie de ene draait en de andere geld ophaalt). Uit de apotheken van Dr. Simi dendert permanent rockmuziek. En met de regelmaat van de klok begint ’s nachts om twaalf uur een complete mariachigroep van acht man een recital voor een gebouw aan de overkant. Tussen de muziek door klinken de geluiden van de verkopers of de klusjesmannen. Het hoge fluitje om elf uur ’s ochtends geeft aan dat de scharensliep in de straat is. Rond zes uur klinkt de door het merg snijdende pieptoon van de kastanjeverkoper. Om tien uur ’s avonds is het de beurt aan de ‘tamales, tamales‘-kreet van de jongen die de maïslekkernijen verkoopt. Hier in de buurt heb je geen klok nodig, maar kun je uit de geluiden opmaken hoe laat het is.</p>
<p>Mexico-Stad is modern, als de modernste steden in de wereld, maar heeft tegelijkertijd veel van zijn goede ouderwetsheid bewaard. De uit de VS geimporteerde mall vormt natuurlijk net zo’n bedreiging als elders, maar het leven blijft zich grotendeels voltrekken in buurtwinkeltjes en reparatiewerkplaatsjes waar je alles kunt laten doen wat je maar kunt verzinnen. Het is en blijft mensenwerk, en dat geeft de stad een grote vitaliteit. Parkeermeters kennen we hier niet. In Mexico-Stad heb je de franeleros, werkloze mannen die elk een stuk straat hebben bezet, je helpen bij het inparkeren en op je auto passen in ruil voor een klein bedragje.</p>
<p><strong>Verstopt<br />
</strong>De werkloosheid is enorm, de officiële cijfers zijn een belediging van het waarnemingsvermogen van ieder weldenkend mens. Maar iedereen doet wel iets om zich in leven te houden. Terwijl je op een groen licht wacht kun je vanuit je autoraampje van alles kopen, van jonge konijntjes tot elektrische boren. De straten van deze stad zitten letterlijk verstopt met ambulantes, meer dan een half miljoen straatverkopers die veelal illegale handel aan de man brengen. En eettentjes, want een Mexicaan kan niet langer dan een paar minuten op straat lopen zonder te eten.</p>
<p>Er schort een hoop aan Mexico-Stad, en er schort vooral ook een hoop aan de autoriteiten die daar iets aan zouden horen te doen. Maar de stad overleeft zonder autoriteiten, in een soort noodgedwongen anarchie, die natuurlijk ongewenste uitwassen genereert maar ook een vitaliteit waar geen regelmaatschappij tegen op kan. DF betovert je, je komt er niet meer van los, zei de Argentijnse schrijver Roberto Fresnán: ‘Ik heb niet het minste idee, en ik wíl ook niet het minste idee hebben over hoe ik hier ooit nog uitkom.’</p>
<p><strong><img class="size-full wp-image-5163 alignleft" title="Cees Zoon" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/5056.jpg" alt="Cees Zoon" width="230" height="172" />Cees Zoon</strong> (Amsterdam, 1950) werkt als Latijns-Amerikacorrespondent voor de Volkskrant. Als hispanist heeft hij zich in literatuur en geschiedenis over Latijns-Amerika gespecialiseerd. Naast diverse literaire reisboeken zoals <em>De lokroep van Mexico</em> en <em>Een passie voor Praag</em> verscheen van zijn hand in 2007 <em>Het rode continent</em>. Hierin beschrijft hij de opkomst van de nieuwe Latijns-Amerikaanse leiders. Cees Zoon woont sinds zes jaar in Mexico-Stad.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://eeuwvandestad.nl/archives/5056/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Ode aan de stad 2: Shanghai, opzwepend paradijs</title>
		<link>http://eeuwvandestad.nl/archives/5066</link>
		<comments>http://eeuwvandestad.nl/archives/5066#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 08 Sep 2009 14:46:02 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Joop Hopster</dc:creator>
				<category><![CDATA[2000-2009]]></category>
		<category><![CDATA[2009]]></category>
		<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Azië]]></category>
		<category><![CDATA[Carolijn Visser]]></category>
		<category><![CDATA[China]]></category>
		<category><![CDATA[Ode aan de stad]]></category>
		<category><![CDATA[Sjanghai]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO-Gids]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://eeuwvandestad.nl/?p=5066</guid>
		<description><![CDATA[Miljoenen Chinezen willen vanuit de provincie naar de stad om geld te verdienen, waarmee ze het lot van hun kind kunnen verbeteren. Shanghai staat nog een grote golf van mensen te wachten, die ook willen profiteren van de nieuwe welvaart.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>In september 2009 presenteert de VPRO op televisie, radio, internet en in de gids het project </em><a title="Eeuw van de Stad" href="http://www.eeuwvandestad.nl/" target="_blank">Eeuw van de stad</a><em>, waarin de kwaliteit van onze steden in al hun verscheidenheid centraal staat. Als opmaat publiceerde de </em><em>VPRO Gids een <a title="Serie 'Odes aan de stad'" href="../archives/category/project/vpro-gids/ode-aan-de-stad" target="_self">serie &#8216;Odes aan de stad&#8217;</a>, met odes van Cees Zoon (Mexico-Stad), Carolijn Visser (Shanghai), Filip De Boeck (Kinshasa), Anil Ramdas (New Delhi), Christine Otten (Detroit) en Jaap Scholten (Budapest)</em>.</p>
<p><strong><img class="size-medium wp-image-5374 alignleft" title="5066" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/50662-300x300.jpg" alt="5066" width="300" height="300" />Afl. 2: Shanghai, opzwepend paradijs<br />
</strong>Miljoenen Chinezen willen vanuit de provincie naar de stad om geld te verdienen, waarmee ze het lot van hun kind kunnen verbeteren. Shanghai staat nog een grote golf van mensen te wachten, die ook willen profiteren van de nieuwe welvaart.</p>
<p><em>door Carolijn Visser<br />
</em></p>
<p>Mijn eerste bezoek aan Shanghai, in 1981, was als een sprong in het verleden. Aan boord van een afgeladen veerboot voer ik voorbij de kade, de Bund, met verweerde westerse gebouwen, voormalige banken en clubs, die eraan herinnerde dat Shanghai groot gemaakt was door Amerikanen, Russen, Britten en Fransen. De avond viel, de gevels en torens hulden zich in duisternis. Eenmaal aan wal verdwenen mijn medepassagiers in de donkere najaarsavond. Ik stapte in een riksja met een gescheurde huif. Een magere man in een vaak versteld blauw Mao-pak trapte me met piepende pedalen door uitgestorven straten.</p>
<p>Ik logeerde in wat ooit een duur hotel was geweest. Op de vloeren lag uitgesleten parket, de kamer die me werd toegewezen moest vroeger een balzaal zijn geweest. Nu stonden er tientallen britsen in rijen opgesteld. Net zoals alle andere gasten had ik een eigen theemok bij me en net als zij zette ik die op mijn nachtkastje. Heet water was de enige luxe die het hotel verstrekte. Ik dronk mijn thee op het balkon, waar hoge openslaande deuren toegang toe gaven en hoorde schepen over de Huangpu tuffen. Ik had nog iets willen eten. Beneden was een grandioos overkoepelde eetzaal, maar de glazen klapdeuren zaten op slot. Binnen hingen kroonluchters scheef aan het plafond . Ze zagen eruit alsof ze al heel lang geen licht hadden gegeven. De dagen daarna zwierf ik door de stad en keek naar sampans op de Suzhou rivier – ze vervoerden vracht en aan boord leefden families met kinderen en grootouders. Ik belandde op binnenplaatsen waar bejaarde mannen en vrouwen, gezeten op lage bamboe krukjes mahjongg speelden. Tijdens mijn voettochten regen de straten zich aaneen met schamele huizen aan weerszijden, twee of drie overbevolkte verdiepingen boven elkaar.</p>
<p>De panden zagen eruit alsof ze elk moment konden verkruimelen. Alles was oud, gerafeld, sleets. Als Shanghai in die tijd van de aardbodem was verdwenen, zou de stad nergens ter wereld gemist zijn.</p>
<p><strong>Consumentenparadijs<br />
</strong>Aan boord van het schip waarin ik gedurende drie dagen de Yangtse rivier was afgezakt, hadden een paar Chinese medereizigers die Engels spraken me met glanzende ogen over Shanghai verteld. De stad die op mij een vervallen, vergeten indruk maakte, was juist het centrum van hun wereld. In hun stad of provincie was niets te krijgen. Shanghai was voor hen het consumentenparadijs.</p>
<p>Ik wist wat hun bestemming was. Nanjing Lu, de drukste winkelstraat van de stad, misschien wel van de hele wereld. Dag in dag uit dromden daar duizenden en duizenden Chinezen van het platteland doorheen, gekleed in groenblauwe pakken, bijna geen geluid makend op hun katoenen schoenen. Ze vergaapten zich aan de etalage van warenhuis nummer één waarin een paar Sanyo kleurentelevisies stonden. Vrouwen drukten hun neuzen tegen de ruiten van een kapsalon, waar binnen foto&#8217;s te zien waren van dames met een permanent. In de Nanjing Lu was iedereen op zoek naar schaarse goederen. In stoffenzaken zag ik vrouwen lappen uit elkaars handen trekken, in een schoenenwinkel vochten ouders om een paar kindersandalen. Voor toonbanken stonden de hele dag kluiten mensen die de aandacht probeerden te trekken van onverschillige verkoopsters.</p>
<p>Op afstand van de Nanjing Lu heerste een andere sfeer, die van stagnatie. Overal hingen jonge mannen rond, in parkjes, op pleinen, langs de rivier. Ze hadden niets om handen en leken ergens op te wachten. Pas achteraf begreep ik waarop: de grote Sprong Voorwaarts, die nog komen moest.</p>
<p>Toen ik vijf jaar later terugkeerde naar Shanghai, was de stad in beweging gekomen. Buurten waren afgebroken om de aanleg van metrolijnen mogelijk te maken, deftige hotels hadden de deuren geopend en er waren ambitieuze plannen gemaakt voor het gebied aan de andere kant van de Huangpu: daar zou het nieuwe Shanghai verrijzen. Je zag niemand meer rondlummelen, iedereen was aan het werk. En in de Nanjing Lu liepen vrouwen in kleurige jurken en op hakken.</p>
<p><strong>Nieuwe middenklasse<br />
</strong>Een paar dagen na het bloedbad op het Tiananmenplein, in mei 1989, belandde ik opnieuw in Shanghai. De ochtend dat ik aankwam, was er bijna niemand op straat. Door de straten echode wel de sirenes van politiewagens. Er werd jacht gemaakt op de leiders van de demonstraties die ook in Shanghai waren gehouden. De winkels aan de Nanjing Lu bleven die dag gesloten. Ik zag een jongen en een meisje zich verbergen in een arcade tot een auto met zwaailicht voorbij was. Alle veranderingen leken opeens schijn. De stad was in zijn vaart gestuit, de plannen waren tevergeefs gemaakt.</p>
<p>Die duistere herinneringen zaten in nog in mijn hoofd toen ik in 2006 ging logeren bij een Shanghaise zakenvrouw die ik via via kende. Ze woonde in een noordelijk gelegen buitenwijk en ik had geen idee wat te verwachten. De flat die ik betrad werd verlicht door ingebouwde halogeenspots en was gemeubileerd met spullen van Ikea. In de woonkamer stond een enorm televisiescherm op een glazen plaat die getorst werd door Griekse pilaren. Mijn gastvrouw beschikte over twee laptops waarmee ze in voortdurend contact stond met het internet. Haar douchecabine had veel weg van een ruimtecapsule. Van alle kanten kwamen waterstralen, borstels maakte draaiende bewegingen. Elizabeth, ik noemde mijn gastvrouw op haar verzoek bij haar Engelse naam, excuseerde zich dat het metrostation vlakbij nog niet gereed was. Dan zou ze gebruik kunnen maken van het grootste ondergrondse net ter wereld. Elizabeths flat en manier van leven was niets bijzonders, ontdekte ik, ze behoorde tot de nieuwe middenklasse. Zoals zij leefde, leefden zoveel anderen.</p>
<p>Was dit dezelfde stad waar ik voor elke maaltijd lang had lopen zoeken naar een restaurant waar eindelijk plaats was? In de omgeving van Elizabeths flat konden we nu kiezen uit Koreaanse, Japanse en Kantonese gelegenheden waar we bediend werden door jonge mensen die mijn gastvrouw &#8216;immigranten&#8217; noemde. Ze kon aan hun accent horen uit welke streek ze kwamen.</p>
<p><strong>Spijkerbroeken naaien<br />
</strong>Tijdens ons zondags winkeluitje kwamen we nog meer &#8216;immigranten&#8217; tegen op de Nanjing Lu, inmiddels een straat met warenhuizen van vele verdiepingen. Elizabeth wees ze aan. Ze zag aan hun kleding, hun haar en hun manier van lopen dat ze van buiten kwamen.</p>
<p>Jonge vrouwen die in Shanghaise fabrieken werkten, mannen die door de week op bouwsteigers stonden. Vandaag waren ze even uit. Nog steeds stroomden Chinezen uit de provincie door de Nanjing Lu om zich te vergapen aan alles wat te krijgen was.</p>
<p>Ik vertelde Elizabeth over een Nederlandse documentaire waarin een jonge vrouw, die naar Shanghai was gekomen, geïnterviewd werd. Ze had haar kind bij haar moeder achter gelaten en verdiende nu het equivalent van honderd euro per maand met spijkerbroeken naaien. De Nederlandse interviewer vroeg haar of ze niet beter thuis had kunnen blijven. Nu zag ze haar kind niet opgroeien en wat had ze aan dat kleine beetje geld? Elizabeth keek me niet begrijpend aan. ‘Van dat geld kan ze haar kind een goede opleiding geven,’ reageerde ze.</p>
<p>In de provincie bevonden zich nog miljoenen Chinezen die dat ook wilden: naar Shanghai gaan om geld te verdienen waarmee ze het lot van hun kind konden verbeteren. Een grote golf van mensen viel nog te verwachten die ook wilden profiteren van de nieuwe welvaart.</p>
<p>&#8216;Wij Shanghainezen worden een minderheid,&#8217; observeerde Elizabeth. Het Shanghais, een taal die sterk verschilt van het Mandarijn, was niet meer vaak te horen in de stad. Elizabeth sprak het alleen nog met haar familieleden.</p>
<p><strong>Energie<br />
</strong>Onlangs was ik weer in Shanghai. Elizabeth en ik zagen vanuit een restaurant op een zevende verdieping aan de Bund de neonverlichting opgloeien. Alle westerse gebouwen aan de kade, tegenwoordig tot in de puntjes gerestaureerd, kleurden roze, geel en groen. Aan de overkant schitterde het nieuwe Shanghai: de bollen van de driebenige televisietoren kleurden paars en kregen knipperende spikkels, alsof het gevaarte elk moment kon opstijgen. De Aurora-torenflat, zojuist nog een onopvallende zwarte doos, veranderde in een televisiescherm van tientallen meters hoog waarop exotische bloemen en vogels elkaar afwisselden. Beneden op de promenade langs de Huangpu stond een menigte mensen naar het spektakel te kijken. Toen er ook nog vanaf een schip op de rivier vuurwerk werd afgeschoten, steeg er een verrukte kreet op uit het publiek. Rode en groene ballen schoten de lucht in. Elizabeth en ik hingen over de balustrade om goed te kunnen zien. Sinds ik in Shanghai was realiseerde ik me, was ik harder gaan lopen. De energie die elke dag vrijkwam in deze stad, had iets opzwepend. Wie de Shanghainezen wilde bijhouden, moest zich haasten. Europa kwam me nu voor als een vermoeid en oud werelddeel. De toekomst, die was hier.</p>
<p><img class="size-full wp-image-5167 alignleft" title="Carolijn Visser" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/5066.jpg" alt="Carolijn Visser" width="206" height="233" />Schrijfster en journalist <strong>Carolijn Visser</strong> (Leiden, 1956) reist voor haar boeken naar plekken die nog niet door het massatoerisme zijn ontdekt. Reizen en schrijven zijn voor haar onlosmakelijk met elkaar verbonden. Haar debuut <em>Grijs China</em>, dat ze op haar 26ste schreef, geeft een persoonlijke beeld van het China dat ze tijdens haar reis leerde kennen. Ze geeft daarbij veel aandacht aan mensen uit de onderste lagen van de samenleving. In een interview liet ze weten: &#8216;Ik wil altijd benadrukken hoe waanzinnig veel kanten er aan een zaak zitten, dat vind ik interessant.&#8217; In haar laatste boek <em>Shanghai skyline</em>, eerder dit jaar genomineerd voor de VPRO Bob den Uyl Prijs, beschrijft zij de veranderingen in Shanghai, waar zij twee jaar gewoond heeft.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://eeuwvandestad.nl/archives/5066/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Ode aan de stad 3: Kinshasa, dicht bij de waanzin</title>
		<link>http://eeuwvandestad.nl/archives/5070</link>
		<comments>http://eeuwvandestad.nl/archives/5070#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 08 Sep 2009 14:44:53 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Joop Hopster</dc:creator>
				<category><![CDATA[2000-2009]]></category>
		<category><![CDATA[2009]]></category>
		<category><![CDATA[Afrika]]></category>
		<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Congo]]></category>
		<category><![CDATA[Filip De Boeck]]></category>
		<category><![CDATA[Kinshasa]]></category>
		<category><![CDATA[Ode aan de stad]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO-Gids]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://eeuwvandestad.nl/?p=5070</guid>
		<description><![CDATA[Kinshasa barst uit zijn voegen. In 1960, toen de Congolese hoofdstad nog Leopoldstad heette, telde de stad 400.000 inwoners. Vandaag is dat aantal opgelopen tot minstens zeven miljoen.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>In september 2009 presenteert de VPRO op televisie, radio, internet en in de gids het project </em><a title="Eeuw van de Stad" href="http://www.eeuwvandestad.nl/" target="_blank">Eeuw van de stad</a><em>, waarin de kwaliteit van onze steden in al hun verscheidenheid centraal staat. Als opmaat publiceerde de </em><em>VPRO Gids een <a title="Serie 'Odes aan de stad'" href="../archives/category/project/vpro-gids/ode-aan-de-stad" target="_self">serie &#8216;Odes aan de stad&#8217;</a>, met odes van Cees Zoon (Mexico-Stad), Carolijn Visser (Shanghai), Filip De Boeck (Kinshasa), Anil Ramdas (New Delhi), Christine Otten (Detroit) en Jaap Scholten (Budapest)</em>.</p>
<p><strong><img class="size-medium wp-image-5372 alignleft" title="5070" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/50702-300x300.jpg" alt="5070" width="300" height="300" />Afl . 3: Kinshasa, dicht bij de waanzin<br />
</strong>Kinshasa barst uit zijn voegen. In 1960, toen de Congolese hoofdstad nog Leopoldstad heette, telde de stad 400.000 inwoners. Vandaag is dat aantal opgelopen tot minstens zeven miljoen.</p>
<p><em>door Filip De Boeck<br />
</em></p>
<p>Hoe kan een ode aan Kinshasa iets anders zijn dan een ode aan het hiaat? ‘Er zijn steden en steden,’ zegt mijn vriend Vincent Lombume, een schrijver uit Kinshasa. ‘Er zijn steden die je in stilte vermoordt, steden waar je van houdt, en steden waaraan je elke dag opnieuw geboorte geeft. Er is de stad die je in je draagt; er is de gebouwde stad, en de stad die alleen maar in je dromen bestaat. Kinshasa is een moederschoot, ze heeft me voortgebracht. Je mag niet spuwen op de moeder, op de vrouw. Je moet ze nemen zoals ze is omdat je van haar houdt. En het afval, de hondenkrengen die rotten in de straten, die moet je erbij nemen. Ik zeg niet dat je je moet neerleggen bij die wegrottende hond. Maar je kan niet anders dan vaststellen dat die honden rotten in het zicht en met het medeweten van iedereen.’</p>
<p>Kinshasa laat zich al te gemakkelijk samenvatten als sloppenwijk, honger, armoede, analfabetisme, marginalisering. Net voor de onfhankelijkheid in 1960, toen Kinshasa nog Leopoldstad heette, telde de stad 400.000 inwoners. Vandaag is dat aantal opgelopen tot minstens zeven miljoen. De demografische explosie is de laatste jaren nog toegenomen door de oorlog en de onveiligheid, die maken dat mensen het Congolese binnenland ontvluchten om zich in veiligheid te stellen in de stad. Kinshasa barst dan ook uit zijn voegen, en deint alsmaar meer uit..</p>
<p>Het is in de periferie van het vroegere Leopoldstad dat de stad zichzelf heruitvindt: geografisch weg van het koloniale hart van de stad, maar tegelijk ook weg van de mentale ruimte van het kolonialisme, zijn taal (het Frans), en zijn vaak vervreemdend model van moderniteit.</p>
<p><strong>Verrotting<br />
</strong>Lemba Terminus, een kruispunt in een van de wijken die in de jaren ’50 door de Belgen werd ontworpen. Het oorspronkelijk stratenplan is nog vaagweg herkenbaar, maar veel van de woningen hebben een drastische transformatie ondergaan. Ooit ontworpen als bescheiden eengezinswoningen, heeft het leven in het postkoloniale Kinshasa die keurige plannen voor wat toen modelwijken van sociale woningbouw waren allang doorkruist en ingepalmd, vanuit dynamieken waarmee de oorspronkelijke Belgische bouwheren nooit rekening hebben gehouden. Op het kruispunt zelf krioelt het van de mensen. Af en aan rijden taxibusjes en tetanos, de alomtegenwoordige kleine Toyota Corolla’s die in de hele stad dienst doen als taxi. In een ver verleden geel gespoten, zijn die autootjes nu meestal afgetakeld tot een schurftig omhulsel van roestig bruin, vaak letterlijk bijeen gehouden door eindjes touw en ijzerdraad. In het kielzog van elke aanrijdende en vertrekkende auto volgt een eb en vloed van lichamen, een golf die elke stoppende wagen omspoelt, op zoek naar transport, om daarna weer terug uit elkaar te spatten als blijkt dat de taxi in kwestie al is volgestouwd met mensen. Dit is het fysieke leven van wat crisis concreet betekent: een onthutsende geografie van falende infrastructuur, een spectaculaire architectuur van verval, van verrotting, van een vuile stad in verwording, waar de uitlaatgassen en het stof van de kapot gereden asfaltwegen naar adem doen snakken, waar de openbare ruimte bezaaid is met afval, waar de penetrante geur van ontbinding opstijgt uit de dichtgeslibde rioleringen, waar stadswijken wegspoelen na elke regenbui, waar alle voorwerpen worden gebruikt tot lang na de houdbaarheidsdatum, waar dingen en gebouwen smoezelig zijn geworden, betast en bepoteld door grijpgrage handen, als een uitgeleefd huis waarin gedurende veel te lange tijd een veel te groot gezin heeft gewoond.</p>
<p><strong>Improvisatie<br />
</strong>Dit niveau van falende infrastructuur, van afwezigheid, schaarste, armoede en tekort is heel bepalend voor het leven in deze stad. Het voedt ook de migratiedrift die Kinshasa kenmerkt. Kinshasa is allang geen homogene geografische entiteit meer. Deze stad is als een splinterbom ontploft, en de splinters kwamen overal ter wereld terecht. Zo bestaat Kinshasa ook in Brussel, Parijs of New York. De mogelijkheid van een ontsnappingsroute naar een ‘elders’ houdt bij vele inwoners het verlangen levend om te ontkomen aan de tentakels van deze monsterstad waar leven zich vaak reduceert tot overleven. Voor de meesten blijft de diaspora echter een wensdroom.</p>
<p>En toch gaan achter het ruïneuze stadslandschap ook andere dynamieken schuil. Voorbij dat eerste niveau van grijze cementblokken, roestige golfplaten, afgedankte auto’s en versleten straten, ontvouwt zich een heel gamma van meer onzichtbare, maar daarom niet minder belangrijke, handelingen die maken dat de stad bestaat. De materiële beperkingen genereren vaak nieuwe sociale relaties en verrassende mogelijkheden. Het volstaat te kijken naar de bijzondere esthetiek van herstelling en recyclage waarmee de stadsbewoners het verval ontwijken en overstijgen. Kinshasa dwingt zijn inwoners voortdurend tot improvisatie. In de confrontatie met een afwezige staat en een informele economie hebben de Kinois die improvisatie verheven tot een kunst. Elke dag wordt het hiaat tussen woord en daad, tussen idee en uitvoering, al improviserend opgevuld. En één van de basiselementen van die improvisatie is humor. Zelfs al is Kinshasa Kin kiadi, ‘de stad van droefenis’, het is ook steeds Kin kiesse, Kin la joie, een citadel gebouwd ‘tijdens een nacht van de lach’, zoals Vincent Lombume het verwoordt . En die lach vormt ook het sociale cement op de plaatsen waar mensen elkaar ontmoeten: op de markt, in de straat, de talloze bars en zelfs de vele pinksterkerken die als paddenstoelen uit de grond schieten. Het is op die plaatsen van ontmoeting, en dwars door de relaties en dynamieken van haar bewoners, dat de stad haar materiële beperkingen overstijgt.</p>
<p><strong>Overleven<br />
</strong>Maar bovenal is Kinshasa een lijfelijke stad. Wanneer het cement afbrokkelt, valt de stad terug op die meer fundamentele bouwsteen: het menselijke lichaam. Al ben je nog zo arm, je bezit altijd het huis dat je eigen lichaam is. Het loutere feit dat er zo veel lichamen samen bewegen, werken, eten, drinken, vrijen, bidden, dansen en lijden geeft Kinshasa zijn eigen, vaak koortsachtige, ritme. Het lichaam legt ook zijn eigen maat op aan de stad. Het lichaam is één van de weinige plaatsen waarin de rauwe functionaliteit van het leven als louter overleven, als louter buik, of louter fallus, kan overstegen worden. Kinois steken veel energie in dat overleven, in het voeden, kleden en helen van hun lichaam, maar ze hebben er nog veel meer voor over om van hun lichaam een baken van schoonheid en perfectie te maken. Vrouwen zijn eindeloos bezig zichzelf te tooien of te transformeren, met pruiken, kleren, schoonheidsproducten die de huid blanker maken, of hormonale preparaten die dikker maken (een schoonheidsideaal in het land van de hongerigen). Ook mannen ontwerpen een echte cultus van de lichamelijke elegantie, ondermeer in de Sape, een acroniem voor Société des ambianceurs et des personnes élégantes. Ontstaan in het begin van de jaren ’80 rond de figuur van zanger Papa Wemba, escaleerde deze beweging in regelrechte fashiontoernooien waarbij jongeren elkaar probeerden te overtroeven met hun Europese haute couture kledij, en waarbij Versace, Paco Rabane, Jean-Paul Gaultier, Weston en andere Dolce &amp; Gabana’s als halfgoden werden vereerd. Het fysieke lichaam bepaalt dus in hoge mate het ritme van het sociale lichaam. Meer nog dan in het Parijs van Proust, is Kinshasa een stad van flaneurs, een zeer trotse en sensuele stad, waar men door de straten wandelt om te zien, maar vooral om gezien te worden. En de toeschouwers zitten nooit verlegen om commentaar over de outfit van de passant, de wijze waarop een vrouw, schijnbaar achteloos, haar paan weer vastknoopt in het voorbijgaan, of de manier waarop haar lichaam zich toont in al zijn kinoiseries: de langzaam roterende billen (evunda, ‘de goed gevulde carrosserie’); de ideale benen (mipende ya milangi, de vorm van een omgekeerd bierfl esje); de manier waarop zelfverzekerheid wordt gespeeld, de handen nadrukkelijk in de zij; of nog het aantal plooien in een vrouwenhals (kingo mwambe, een teken van grote schoonheid)&#8230; Kortom: je sociale huid, de manier waarop je je weet te tonen op het schouwtoneel van de straat, vormt in grote mate ook je sociale kapitaal, het sociale gewicht dat in staat stelt om een plaats in te nemen, een identiteit te verwerven en te bestaan in de publieke ruimte van de stad.</p>
<p><strong>Onrust<br />
</strong>In de collectieve stedelijke verbeelding is het geslacht van de stad vrouwelijk. Kinshasa spreekt vaak over zichzelf als een gigantisch vrouwelijk lichaam: een moeder, of een verleidster, en soms zelfs een hoer, de benen wijd gespreid, vol beloften die de stedeling voortdurend prikkelen en in staat van opwinding brengen. De manier om je in dit vrouwenlichaam te gedragen, om er bezit van te nemen, zal dan ook een buitensporig mannelijke manier zijn. Om je in de stad staande te houden moet je bovenal een goede jager zijn. In het collectieve stadsimaginaire wordt Kinshasa vaak gedacht als een woud, en in deze urban jungle zijn de nieuwe fi guren van succes meteen ook de beste ‘jagers’: politici, muzikanten, en predikanten. Zij staan model voor sociaal welslagen. Maar hun succes is tegelijkertijd zeer vluchtig. Het ostentatief consumeren, spenderen en ejaculeren waarmee maatschappelijk welslagen in een stad als Kinshasa zich laat meten, gebeurt vaak in één krachtige geste, waarin alles wordt verbrast en opgebruikt. De vervulling van dat kloppend verlangen situeert zich in het momentane, waarin morgen veraf is, waar het verleden geen een ankerpunt aanreikt en waarin alleen het onmiddellijke nu enige houvast biedt voor degene die dat ogenblik weet te vangen en te benutten. Het maakt de stad tot een plaats van grote onrust. Het komen en gaan, het duwen en trekken van de stad dwingt de stedeling tot een permanente erectie, een eindeloze zoektocht naar bevrediging doorheen het exces. Het leven in Kinshasa draait voortdurend rond de vervulling van alle beloften die de stad maakt, maar zelden of nooit waarmaakt. Ondanks alle dromen van potentie die de stad oproept, castreert ze de stedeling ook telkens weer, en herleidt ze hem tot eunuch.</p>
<p><strong>Nacht<br />
</strong>Daarnaast is er de tijd van de nacht. Kinshasa begint en eindigt ’s nachts. De nacht is de spiegel waarin de stad zichzelf bekijkt, droomt en ontvouwt. Tijdens de nacht realiseert zich, al was het maar voor even en als in een droom, wat tijdens de dag onmogelijk is. De band met de realiteit en met de rede wordt daarbij soms heel dun. De nacht introduceert tevens Kinshasa’s schaduwzijde: de dood en het occulte, twee niveau’s die meer dan ooit aanwezig zijn. Dit alles brengt de stad dicht bij de waanzin. De stad is steeds alles en het tegendeel daarvan. De stad is tegelijkertijd creatie en destructie, erectie en impotentie, rijk en arm, feest en dood, open en gesloten. De stad is, om nog eens de woorden van Vincent Lombume te lenen, ‘vice versa’. De stad is multipel, ze is steeds en/en, nooit of/ of. Het maakt van deze stad ook een schizofrene ruimte, waarin grenzen vaag zijn en voortdurend worden overschreden.</p>
<p>Maar hoe op dagelijkse basis te leven in de waanzin? Vaak lijkt het woord, naast het lichaam, het enige wapen dat de stedeling tot zijn beschikking heeft om zich te wapenen tegen de stad, en er tezelfdertijd een nieuwe betekenis aan te geven. Kinois hebben een eigen specifi eke taal ontworpen om te stad te veroveren, te bedwingen, te bouwen, te begrijpen, te beheersen, en te herdenken. In deze stad, waar de gebeden van miljoenen gelovigen voortdurend worden opgeladen met de kracht van het Goddelijke Woord, is het trouwens niet zo moeilijk om te geloven in de pure kracht van taal om de stad opnieuw te verbeelden. In die zin is Kinshasa een gesproken stad, een mantrische stad, een onvermoeibaar gebed. Elke dag opnieuw vinden de inwoners van Kinshasa de stad uit in hun taal, bezweren ze haar, en maken haar telkens weer opnieuw, zolang er ellende bestaat en zolang er mensen zijn die willen samenkomen.</p>
<p><strong><img class="size-full wp-image-5170 alignleft" title="Filip de Boeck" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/5070.jpg" alt="Filip de Boeck" width="270" height="217" />Filip De Boeck</strong> (Antwerpen, 1961) is antropoloog. Zijn interesse gaat uit naar de manier waarop miljoenensteden in Afrika ondanks armoede toch blijven functioneren. Samen met de fotografe Marie-Françoise Plissart publiceerde hij <em>Kinshasa. Tales of the Invisible City</em> (Ludion, 2004), een originele analyse van de hoofdstad van Congo. Tijdens zijn doctoraat verbleef De Boeck twee jaar in een Congolees dorp van tweehonderd inwoners. Hij leerde hun taal en deed onderzoek op het gebied van traditionele medische antropologie. Momenteel werkt hij aan een documentaire over een begraafplaats in Kinshasa. De film zal worden uitgebracht in het najaar. De Boeck is als hoogleraar verbonden aan het Instituut voor Antropologie in Afrika van de Universiteit van Leuven.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://eeuwvandestad.nl/archives/5070/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>3</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Ode aan de stad 4: New Delhi, leven en laten leven</title>
		<link>http://eeuwvandestad.nl/archives/5073</link>
		<comments>http://eeuwvandestad.nl/archives/5073#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 08 Sep 2009 14:44:08 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Joop Hopster</dc:creator>
				<category><![CDATA[2000-2009]]></category>
		<category><![CDATA[2009]]></category>
		<category><![CDATA[Anil Ramdas]]></category>
		<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Azië]]></category>
		<category><![CDATA[India]]></category>
		<category><![CDATA[New Delhi]]></category>
		<category><![CDATA[Ode aan de stad]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO-Gids]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://eeuwvandestad.nl/?p=5073</guid>
		<description><![CDATA[New Delhi komt razend snel in de toekomst. In 2000 groeide de stad die berekend was op zo’n twee miljoen inwoners tot ongeveer twaalf miljoen. Zestien miljoen, zeggen sommigen – het is niet na te gaan.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>In september 2009 presenteert de VPRO op televisie, radio, internet en in de gids het project </em><a title="Eeuw van de Stad" href="http://www.eeuwvandestad.nl/" target="_blank">Eeuw van de stad</a><em>, waarin de kwaliteit van onze steden in al hun verscheidenheid centraal staat. Als opmaat publiceerde de </em><em>VPRO Gids een <a title="Serie 'Odes aan de stad'" href="../archives/category/project/vpro-gids/ode-aan-de-stad" target="_self">serie &#8216;Odes aan de stad&#8217;</a>, met odes van Cees Zoon (Mexico-Stad), Carolijn Visser (Shanghai), Filip De Boeck (Kinshasa), Anil Ramdas (New Delhi), Christine Otten (Detroit) en Jaap Scholten (Budapest)</em>.</p>
<p><strong><img class="size-medium wp-image-5370 alignleft" title="5073" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/50732-300x300.jpg" alt="5073" width="300" height="300" />Afl. 4: New Delhi, leven en laten leven<br />
</strong>New Delhi komt razend snel in de toekomst. In 2000 groeide de stad die berekend was op zo’n twee miljoen inwoners tot ongeveer twaalf miljoen. Zestien miljoen, zeggen sommigen – het is niet na te gaan.</p>
<p><em>door Anil Ramdas<br />
</em></p>
<p>Hoe lang heeft New Delhi nodig gehad om het charmante rommeltje te worden dat het nu is? Maar een kwart eeuw. Toen ik er begin jaren ’80 was, trof ik een grote, lege hoofdstad aan. Zomaar aangelegd in de woestijn, door de Britten, omdat ze iets centraler wilden liggen dan in de uiterst oostelijke havenstad Calcutta. Kolonisators willen graag hun legers zo snel mogelijk alle richtingen op kunnen sturen, vandaar.</p>
<p>Maar het was een lege bestuursstad, met brede, stille wegen, prachtige witte villa’s van parlementariërs die zo nu en dan voorbij stoven in hun Ambassadors, een namaak-Morris van staalplaat die zeventig kilometer per uur haalde, maar wel met zwaailicht. Het was een koddig gezicht.</p>
<p>Ik spreek niet helemaal de waarheid: een klein deel van de stad was al flink dicht bevolkt: het roemruchte Old Delhi, waar vroeger allemaal moslims woonden. Na de scheiding van India en Pakistan, de zogeheten Great Partition, werden de hindoes massaal uit het Pakistaanse gedeelte verdreven, en waar gingen ze allemaal naar toe? Juist ja, Old Delhi. Kon dat ooit goed gaan? Nee, zou je denken. Ja, naar later bleek. Old Delhi is een moslimenclave met steeds meer hindoes die rancuneuze gevoelens koesterden. En toch ging het goed. De geschiedenis kan ons soms een flinke loer draaien.</p>
<p><strong>Echte chaos<br />
</strong>Old Delhi, moet ik helaas toegeven, jaagt me desondanks angst aan. Ik ben in alle keren dat ik in India was, zelfs toen ik er drie jaar was gevestigd als correspondent van <em>NRC Handelsblad</em>, maar een dozijn of wat keren geweest. Telkens vanwege bezoekers die een toeristisch uitstapje wilden maken naar de echte chaos van de derde wereld. Ik moest me daar moreel op voorbereiden, een nacht ervoor, en de halve dag erna herstellen – wat overdreven neurotisch klinkt, maar dan heeft u een idee. Je gaat met eigen vervoer naar de rand van Old Delhi, een parkeerplaats nabij het Rode Fort, waar tijdens mijn verblijf in India een flinke aanslag werd gepleegd door schietende moslims. Maar die kwamen uit Kashmir en de aanslag werd zo onhandig uitgevoerd dat de aanwezige politieagenten en militairen uit pure verbazing de terroristen lieten ontsnappen. Ik bedoel: wie komt er in hemelsnaam op het idee om een toegangskaartje voor het Rode Fort te kopen – het fort is een beroemde attractie, vraag me niet waarom – met sporttassen om de schouders, om daar automatische geweren uit te halen en te schieten op de rondkuierende bewakers.</p>
<p>Afijn, maar daar kwam mijn nervositeit niet uit voort. Als je je auto geparkeerd had, moest je op een fietsriksha om Old Delhi binnen te gaan. Rare vinding, die fietsriksha: niemand is op het idee gekomen om er versnellingen op aan te brengen, waardoor de magere bestuurder met zijn gewicht van veertig kilo op de pedalen moet gaan staan om dat ding langzaam vooruit te krijgen. En om de een of andere reden is de zitting voor de twee passagiers (ja, dat is er één te veel, maar zo is dat geregeld) altijd een beetje schuin naar voren, zodat je erg je best moet doen om niet pardoes op de hardwerkende fietser te vallen.</p>
<p>En dan kom je in Old Delhi. Met de gewaarwording dat je in een mierennest bent beland. Een krioelende massa van honderdduizenden mensen die allemaal een bezigheid lijken te hebben, meestal is dat een gesjouw met spullen op kleine karretjes: koelkasten, meubels, onderdelen voor de Ambassadors, want die worden allemaal in Old Delhi gerepareerd. Je krijgt een tour door de wijk waar geen eind aan komt, en soms willen de bezoekers afstappen om foto’s te maken. Op dat moment is het een gescheld van jewelste van mensen die voor hun werk door de smalle stegen moeten, en zit ik op het bankje na te denken over wat er nu hier te fotograferen valt, maar verder is het een uiterst vredig samenzijn van mensen die als ratten in een kooi gevangen zitten. Ratten zouden elkaar te lijf gaan, maar dit zijn Indiërs, immer vredig.</p>
<p><strong>Woestijnstad<br />
</strong>Terwijl Old Delhi een beetje Middeleeuwen is, komt New Delhi razend snel in de toekomst. In nog geen kwart eeuw, zoals ik zei. In 2000 waren er haast geen Ambassadors meer en groeide de stad die berekend was op zo’n twee miljoen inwoners tot ongeveer twaalf miljoen.</p>
<p>Zestien miljoen zeggen sommigen, het is niet na te gaan. En dat is, wonderlijk genoeg, buitengewoon komisch.</p>
<p>Toen ik er kwam, in 2000, om er drie tot vier jaar te wonen, wilde ik alles zo snel mogelijk geregeld hebben: een huis, een internationale school voor de kinderen, een vervoermiddel – ik wilde eigenlijk een Ambassador, maar dat werd me streng afgeraden. Waarom? Zo’n plaatstalen auto leek me tamelijk veilig. Maar dat was het punt niet. Het probleem was de luchtventilatie. Die voerde de warme lucht van de motor naar binnen, en dan zat je in een auto op de grilstand. Niet helemaal een goed idee voor de stad waar het in de zomer zo rond de veertig graden zindert.</p>
<p>Met die hitte van de woestijnstad had ik trouwens geen rekening gehouden toen ik het huis huurde. Ik nam een makelaar in de arm aan wie ik vertelde dat ik een ruim huis wilde, vanwege de mogelijke bezoekers uit Nederland, studeerruimte voor de kinderen, werkruimte voor mezelf, en hij liet me een schitterende woning zien in een wijk voor Indiase intellectuelen. Allemaal notarissen en artsen om mij heen, en nog net betaalbaar. Aan de overkant van de brede weg was het onbetaalbaar. Daar woonden de echte expats, die een huur konden neertellen van wel tweeduizend euro. Ik zou elf honderd euro kwijt zijn. Ook niet mis, maar het was wel lager.</p>
<p>De makelaar vroeg nog of ik zeker wist dat ik een huis met acht kamers wilde. O ja man, dit is ideaal. De contracten werden getekend, ik nam mijn intrek, om te merken dat ook het huis op de grilstand stond. Ik woonde in één grote Ambassador.</p>
<p>Airco’s! Ventilatoren! Dit was de 21ste eeuw nietwaar, de techniek had niet stil gestaan, klimaatbeheersing behoorde tot de mogelijkheden.</p>
<p>Kwamen ze aan met acht van die bakken, de airco’s, en ik vond de twaalf arbeiders die daarmee in de weer waren (ramen open zagen!) iets te laconiek, en ik begreep pas later waarom. Waar haal je de stroom vandaan voor die toestellen? De stroom valt in de zomermaanden soms tien uur per dag uit, omdat iedereen in deze komisch volle stad airco’s installeert, terwijl de stroomvoorziening daar niet op berekend is.</p>
<p><strong>Tuinman<br />
</strong>Genoeg geklaagd. Ik zal niet beginnen over de gasflessen om mee te koken, die verdomde flessen zijn buitengewoon schaars, en de Nederlandse ambassadeur moest mij een briefje meegeven waarin de Nederlandse Ambassade zich garant stelde voor de flessen, voor als ik stiekem maakte dat ik wegkwam met die flessen in de koffer. Ik ga ook niet beginnen over de telefoonaansluiting, die ik pas maanden later kreeg, en die om de twee weken uitviel, omdat de plaatselijke telefoonmonteur zoveel dochters had. Die moesten namelijk allemaal trouwen, waar veel geld voor nodig was. Dus maakte hij de aansluiting eigenhandig onklaar, waardoor de klant flink moest opdraaien voor de ‘reparatie’. En dan was er de krantenbezorger die mijn brievenbus niet kon vinden en de hele stapel op de grond smeet, en de tuinman: drie jaar lang heb ik een tuinman betaald, en pas toen ontdekte ik dat ik geen tuin had. Maar het was een aardige man, dus hield ik hem aan. Een buitenlander heeft nu eenmaal speciale verplichtingen.</p>
<p>Voor de rest is Delhi een uiterst vredige stad. Behalve zo nu en dan een aanslag, gebeurt er nooit wat. Vooruitkomen in het verkeer is schier onmogelijk, omdat er nu veel te veel auto’s zijn op veel te smalle wegen – ik had ze ooit zo breed gevonden. Nu deed je over iedere afstand ongeveer een uur. Maar niemand die zich daarover opwond. Delhi is een opwindende stad omdat niemand zich ergens boos over maakt. Begint u woest te toeteren omdat u voor wilt dringen? Gaat uw gang, u heeft kennelijk haast. Leven en laten leven.</p>
<p><strong>Beschaving<br />
</strong>Die vriendelijkheid van die twaalf tot zestien miljoen mensen in die almaar uitdijende stad zal ik nooit vergeten. Beschaving is hier uitgevonden. Beschaving als in behulpzaamheid. Je kan in deze oerrommelige stad bijvoorbeeld nooit verdwalen. Altijd is er wel iemand die je de weg wijst. Er is niet genoeg stroom, er is niet genoeg water, in de winter wordt het tien graden in huis omdat er geen verwarming is, het woestijnstof dringt je computers binnen, waardoor je elk half jaar nieuwe moet kopen. Maar de mensen zijn ongelooflijk vriendelijk. Het is een dagtaak om de meest vanzelfsprekende voorzieningen werkend te houden, de elektricien, de man voor de waterpomp, de man die een meubel moet bezorgen en het midden op de grote drukke weg van zijn fietskar laat vallen; en toch, alles wordt op den duur geregeld. Je krijgt altijd alles voor elkaar als je je maar niet boos maakt. Een enkele glimlach, een gebaar van vriendelijkheid, en je gaat slapen met het geruste gevoel dat ze hier de beschaving hebben uitgevonden. Nu nog alleen maar stroom en water.</p>
<p><img class="size-full wp-image-5172 alignleft" title="Anil Ramdas" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/5073.jpg" alt="Anil Ramdas" width="154" height="202" />Schrijver en journalist <strong>Anil Ramdas</strong> (Paramaribo, 1958) vertrok in 1975 naar Nederland om in Amsterdam Sociale Geografie te studeren. Tijdens zijn veelzijdige carrière was hij onder meer werkzaam als redacteur voor <em>de Groene Amsterdammer</em> en presentator voor de VPRO. Van 2000 tot 2003 werkte hij vanuit India als buitenlandcorrespondent voor <em>NRC Handelsblad</em>. Ook was hij van 2003 tot 2005 directeur van De Balie in Amsterdam.  Daarna ging hij voor een jaar naar Suriname en schreef het boek <em>Paramaribo. De vrolijkste stad in de jungle</em>, een indrukwekkend verslag van zijn verblijf in Suriname. Ramdas werkt momenteel als columnist voor <em>NRC Handelsblad</em>.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://eeuwvandestad.nl/archives/5073/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Ode aan de stad 5: Detroit, prairie van asfalt</title>
		<link>http://eeuwvandestad.nl/archives/5077</link>
		<comments>http://eeuwvandestad.nl/archives/5077#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 08 Sep 2009 14:39:14 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Joop Hopster</dc:creator>
				<category><![CDATA[2000-2009]]></category>
		<category><![CDATA[2009]]></category>
		<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Christine Otten]]></category>
		<category><![CDATA[Detroit]]></category>
		<category><![CDATA[Noord-Amerika]]></category>
		<category><![CDATA[Ode aan de stad]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO-Gids]]></category>
		<category><![CDATA[Verenigde Staten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://eeuwvandestad.nl/?p=5077</guid>
		<description><![CDATA[Detroit is een zwarte stad. De bakermat van de burgerrechtenbeweging, van de soulmuziek en van de techno, die met hart en ziel verbonden is met het industriële karakter van deze ooit glorieuze autostad.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>  Als opmaat van het project </em><a title="Eeuw van de Stad" href="http://www.eeuwvandestad.nl/" target="_blank">Eeuw van de stad</a><em>, publiceerde de VPRO Gids een </em><a title="Serie 'Odes aan de stad'" href="../archives/category/project/vpro-gids/ode-aan-de-stad" target="_self"><em>serie &#8216;Odes aan de stad&#8217;</em></a><em>, met odes van Cees Zoon (Mexico-Stad), Carolijn Visser (Shanghai), Filip De Boeck (Kinshasa), Anil Ramdas (New Delhi), Jaap Scholten (Budapest) en Christine Otten met deze bijdrage over Detroit. Meer over  Detroit en de effecten van de crisis VPRO radiodocumentaire <a href="http://weblogs.vpro.nl/buitenland/2009/04/12/driemaal-detroit-verhalen-uit-een-stad-in-vrije-val/" target="_blank">&#8216;Detroit, een stad in vrije val&#8217;</a> die onlangs nog de &#8216;Special Prize Quirinale&#8217; won. </em></p>
<p><strong><img class="size-medium wp-image-5364 alignleft" title="5077" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/50772-300x300.jpg" alt="5077" width="286" height="287" />Afl. 5: Detroit, prairie van asfalt<br />
</strong>Detroit is een zwarte stad. De bakermat van de burgerrechtenbeweging, van de soulmuziek en van de techno, die met hart en ziel verbonden is met het industriële karakter van deze ooit glorieuze autostad.</p>
<p><em>door Christine Otten<br />
</em>De mooiste en droevigste plek in heel Detroit is een parkeergarage, midden in de stad. Hij ligt pal achter het Michigan Building waar Henry Ford ooit zijn eerste automobiel ontwierp, vanuit het gebouw kun je via een achterdeur zo de garage in lopen. Mijn goede vriend Khalid El Hakim, Detroiter in hart en nieren, gaat me voor.</p>
<p>‘Moet je kijken,’ fluistert hij, alsof we een verboden ruimte betreden. Ik weet niet wat me overkomt. We staan in een geasfalteerd theater, er staan een paar auto’s geparkeerd, maar voor de rest herinnert alles hier aan glamour en cultuur. Het met goudkleurige verf bespoten koepelplafond, de glazen wand naast het podium, de dieprode muren. De achterwand is eruit geslagen en je kijkt zo de stad in. De lucht is paars en rose, het is voor in de avond. Even verbeeld ik me muziek te horen, de hoge ijle stem van een piepjonge Diana Ross… before you break my heart… maar dan besef ik dat het vogels zijn die op een balk in het plafond zitten en vanuit hun schuilplaats zingen.</p>
<p>‘Jezus,’ zucht ik. De rillingen lopen mij over de rug. Alsof ik plotseling in de ziel van deze lelijke rauwe vervallen rotstad kijk, de schoonheid zie die erin verborgen ligt.</p>
<p>‘Dit was vroeger The Michigan Palace,’zegt Khalid. ‘Hier traden alle sterren van Motown op. The Four Tops, Marvin Gaye, The Supremes. Eminem heeft hier een scène van zijn film 8 Mile opgenomen, je weet wel, wanneer hij en die andere rapper elkaar gaan dissen. Ik denk erover hier nachtconcerten te organiseren; dan staan er toch geen auto’s.’</p>
<p>Ik heb een ambivalente relatie met Detroit. Een ramp dreef me er ooit naar toe. Ik was toevallig op Manhattan toen Al Qaida op 11 september 2001 met twee vliegtuigen het wtc doorboorde. Ik kende niemand in New York. Ik zou onderzoek gaan doen voor mijn roman De laatste dichters, over de militante zwarte dichtersgroep The Last Poets. Gelukkig belde een van die Last Poets, Umar Bin Hassan, me op. ‘Neem de bus naar Detroit, dan haal ik je op. Ben je weg uit die puinzooi.’ Zo belandde ik in één klap in een andere wereld en in een andere cultuur.</p>
<p><strong>Murder capital<br />
</strong>Detroit is een zwarte stad. In 1967, terwijl Martha and the Vandellas’ ‘Dancing in the Streets’ op nummer één van de hitlijsten stond, braken bloedige rassenrellen uit in Detroit en ontvluchtten de meeste blanken de stad. Detroit is de bakermat van de burgerrechtenbeweging, van de soulmuziek en het Motownlabel van Berry Gordy, en van de techno, rauwe ijzerachtige muziek die met hart en ziel verbonden is met het industriële karakter van deze ooit zo glorieuze autostad.</p>
<p>Voor mij was Detroit destijds dus een vluchtoord. Een veilige plek in een extreem onveilige tijd. Ironisch genoeg, want Detroit is murder capital one in Amerika, maar dat wist ik toen nog niet. Natuurlijk registreerde ik de armoede, de vervallen en uitgebrande huizen in de buurt waar ik logeerde, de gevaarlijke lege straten, de drankwinkels, de daklozenpensions en dichtgetimmerde bibliotheken. Maar ik leerde ook Khalid kennen, zijn Brits-Nigeriaanse vriendin Tania McGee, Leni Sinclair, een blanke oudere Duitse fotografe die ooit de ddr was ontvlucht op zoek naar avontuur en jazz, en Paul Lee, Tania’s buurman, de historicus die Spike Lee adviseerde tijdens de opnames van zijn film over Malcolm X. Met andere woorden: ik vond er vrienden en een home away from home. En inmiddels ben ik talloze keren terug geweest en heb ik de sleutel van Tania’s huis in Highland Park (de buurt in Detroit waar Clint Eastwoods laatste film <em>Gran Torino</em> speelt; Tania’s dochtertje Monique kwam hem tegen toen ze op haar fietsje rondreed).</p>
<p>Maar nooit heb ik dat tweeslachtige gevoel over de stad van me af kunnen schudden. Detroit is een stad die op je drukt en tegelijkertijd een duistere aantrekkingkracht heeft. Een stad als een bluessong, of een soulballad als ‘Change is Gonna Come’ van Sam Cooke. Wanneer je op een zomeravond over Woodward rijdt, de brede verkeersader die de stad als een troebele rivier doormidden klieft, en in de verte zie je de zon paars oranje rood ondergaan achter de blinkende torens in het zakencentrum, terwijl je links en rechts van je hoeren en daklozen langs dichtgetimmerde winkels en clubs ziet slenteren, daartussendoor gewone mooie huizen met veranda’s vol bloeiende planten, hier en daar houden mensen gezellig een barbecue&#8230; op zo’n avond is het alsof je over een prairie rijdt, een post-industriële prairie van asfalt en steen. Amerikaanser kan bijna niet. En wanneer je goed luistert, hoor je Cooke’s stem, die ingehouden snik. ‘I was born by the river… in a little tent&#8230;and just like that river… I’ve been running ever since… It’s been a long, long time coming… but I know… change is gonna come… Die poëtische mengeling van pijn, woede, verlangen, vitaliteit, frustratie en ultieme schoonheid waar de hele indrukwekkende geschiedenis van zwarten in Amerika in doorklinkt, dat is precies waar ik het over heb. Detroit dus.</p>
<p><strong>Oom Tom<br />
</strong>Khalid lacht. ‘Ik had het kunnen weten.’ We rijden door Gratiot Avenue, ooit het hart van Black Bottom, een levendige zwarte uitgaansbuurt, nu een lelijk getto. Dikke regendruppels spatten uiteen tegen de voorruit. Het is bloedheet in de auto. De lucht is plotseling inktzwart. ‘Tornadoweer,’ mompelt Khalid (38). Hij is leraar op een school voor moeilijk opvoedbare kinderen. Oprichter van het eerste mobiele museum voor Afro-Amerikaanse memorabilia en promotor van Detroit rappers en dichters. Ooit heette hij gewoon Christopher Bell. Hij groeide op in een welvarend middenklassegezin. De eerste blanke die hij zag was zijn nanny. ‘Mijn vader verliet ons gezin voor een blanke vrouw toen ik vijf was. Hij wilde zo graag assimileren dat hij zelfs het joodse geloof aannam. Maar op den duur werd hij er gek van.’ Hij schoot zichzelf een kogel door zijn hoofd toen Khalid vijftien was. ‘Detroit was toen al aan het verpauperen. Ik zag mezelf ook als een jongen uit da hood, probeerde zelfs ook een tijdje te dealen, zoals iedereen deed.’</p>
<p>Khalid is een nazaat van gevluchte slaven uit het Zuiden. In het huis van zijn tante hangt een foto van Kossiah, Khalids betovergrootmoeder die als meisje van zes met haar ouders over de ijsschotsen in de Detroit River naar het vrije Canada vluchtte en daar een nieuw bestaan opbouwde in Dresden, Ontario, hetzelfde dorp waar Jossiah Henderson woonde, die model stond voor Tom, uit De negerhut van Oom Tom van Harriet Beecher Stowe. ‘Mijn hele leven werd ik doodgegooid met verhalen over slavernij en onderdrukking, maar altijd stopte het verhaal bij ons. Wij hadden geld, een mooi huis, wij waren gelukkig,’ zegt hij met ironie in zijn stem.</p>
<p><strong>Knuffeldieren<br />
</strong>Hij tikt me op de schouder, wijst naar links. ‘Kijk dan.’</p>
<p>We rijden door Heidelberg Street, en het is plotseling alsof alles licht wordt om ons heen. De regen is opgehouden.</p>
<p>Kunstenaar Tyree Guyton heeft deze buurt, vol verlaten en vervallen huizen, omgetoverd in een soort sprookjeswereld. De straten zijn bont geschilderd. De huizen beplakt met knuffeldieren, Tom &amp; Jerry, Mickey Mouse en ander oud speelgoed. Aan een boom hangen allemaal afgetrapte schoenen aan lange draden. Op een grasveld liggen deuren uit oude auto’s, stuk voor stuk beschilderd met gezichten. ‘Faces of God’ staat erboven. Khalid straalt. ‘Tyree is een goede vriend. Net als ik houdt hij van deze stad, ondanks het verval. Als kind maakte hij de bloedige rellen mee en op dat moment besloot hij de lelijkheid om te zetten in schoonheid. Zie je het?’</p>
<p>Ik ben sprakeloos. Ineens besef ik waarom Detroit me zo raakt. Het is die oerveerkracht die verborgen zit onder alle rotzooi en ellende. De bereidheid en kracht om iets moois en oorspronkelijks te maken van narigheid en tegenslag, net als de blues.</p>
<p><strong>Rainbow Room<br />
</strong>De volgende ochtend komt Leni Sinclair me ophalen. De hele nacht heeft het geregend en de lucht ruikt naar bloemen en asfalt. Leni is 66. Op haar achttiende ontvluchtte ze Vahldorf, een boerendorp in de toenmalige ddr. Ze dacht dat Amerika één grote jazzclub was, want het enige wat ze kende van Amerika waren de liedjes vanBillie Holiday en Sarah Vaughn die ze op Radio Luxemburg hoorde. Ze belandde in Detroit. ‘Een grote teleurstelling, want er waren nauwelijks wolkenkrabbers. Ik kwam bij mijn Duitse familie terecht die niets van Schwarze moest hebben.’ Maar ze trouwde met hippie en mensenrechtenactivist John Sinclair. Werd fotografe en fotografeerde iedereen die er in de Amerikaanse muziek ooit toe gedaan heeft: Miles Davis, John Coltrane, Prince, Bob Marley, Iggy Pop, John Lennon, om er een paar te noemen. Nu woont ze met haar dochter Sunny en kleindochter Byonce in een arme zwarte buurt.</p>
<p>‘We gaan naar Belle Isle,’ zegt ze.</p>
<p>‘Oké.’ We rijden naar het schiereiland in de Detroit River. Een oase van groen en rust. Leni parkeert haar auto bij een strandje. Vanaf hier hebben we een perfect uitzicht op de skyline van Detroit. Zonlicht weerkaatst op de glazen torens van het General Motors gebouw. Dunne flarden nevel zweven boven het lichtblauwe water van de rivier.</p>
<p>‘Al zou ik geld hebben, dan nog ging ik niet weg uit Detroit,’ zegt ze verbeten. ‘Toen ik hier pas woonde leerde ik een jazzsaxofonist kennen, Marion Brown. Hij trad op in de Rainbow Room. We werden close, maar hadden nooit echt iets met elkaar. In plaats daarvan schreven we brieven waarin we elkaar over ons leven vertelden. Ik over Duitsland, de oorlog. Hij over zijn jeugd in Harlem. Door Marion ben ik me pas echt thuis gaan voelen in Amerika. Ik vond mezelf in zijn verhalen. Hier in Detroit kan ik tussen zwarten leven zonder me bewust te zijn van mijn huidskleur.’</p>
<p>Ze stopt. ‘Wanneer ga je weg?’</p>
<p>‘Morgen,’ zeg ik.</p>
<p>‘Dan spreken we nu af dat we de volgende keer naar de Rainbow Room gaan, okay? Die club bestaat nog steeds.’</p>
<p><strong><img class="size-full wp-image-5174 alignleft" title="Christine Otten" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/5077.jpg" alt="Christine Otten" width="144" height="160" />Christine Otten</strong> (1961) is schrijver. Haar roman <em>De laatste dichters</em> (2004) werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. Haar belevenissen in Detroit verwerkte ze in de roman <em>Als Casablanca</em> (2008). In januari 2010 verschijnt haar nieuwe roman <em>In wonderland</em>.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://eeuwvandestad.nl/archives/5077/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Ode aan de stad 6: Boedapest, beminnelijke chaos</title>
		<link>http://eeuwvandestad.nl/archives/5079</link>
		<comments>http://eeuwvandestad.nl/archives/5079#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 08 Sep 2009 14:38:24 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Joop Hopster</dc:creator>
				<category><![CDATA[2000-2009]]></category>
		<category><![CDATA[2009]]></category>
		<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Boedapest]]></category>
		<category><![CDATA[Europa]]></category>
		<category><![CDATA[Hongarije]]></category>
		<category><![CDATA[Jaap Scholten]]></category>
		<category><![CDATA[Ode aan de stad]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO]]></category>
		<category><![CDATA[VPRO-Gids]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://eeuwvandestad.nl/?p=5079</guid>
		<description><![CDATA[Boedapest werd in korte tijd van een provinciale stad een mondaine, multiculturele metropool, bewoond en bezocht door een veelheid aan volken die bijdroegen aan de explosieve groei en de rijkdom van de stad.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>In september 2009 presenteert de VPRO op televisie, radio, internet en in de gids het project </em><a title="Eeuw van de Stad" href="http://www.eeuwvandestad.nl/" target="_blank">Eeuw van de stad</a><em>, waarin de kwaliteit van onze steden in al hun verscheidenheid centraal staat. Als opmaat publiceerde de </em><em>VPRO Gids een <a title="Serie 'Odes aan de stad'" href="../archives/category/project/vpro-gids/ode-aan-de-stad" target="_self">serie &#8216;Odes aan de stad&#8217;</a>, met odes van Cees Zoon (Mexico-Stad), Carolijn Visser (Shanghai), Filip De Boeck (Kinshasa), Anil Ramdas (New Delhi), Christine Otten (Detroit) en Jaap Scholten (Budapest)</em>.</p>
<p><strong><img class="size-medium wp-image-5358 alignleft" title="5079" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/50792-300x300.jpg" alt="5079" width="300" height="300" />Afl. 6 (slot): Boedapest, beminnelijke chaos<br />
</strong>Boedapest werd in korte tijd van een provinciale stad een mondaine, multiculturele metropool, bewoond en bezocht door een veelheid aan volken die bijdroegen aan de explosieve groei en de rijkdom van de stad.</p>
<p><em>door Jaap Scholten<br />
</em></p>
<p>Vlak voor middernacht van Rooseveld tér over de kettingbrug rijden, met links op de heuvel het voormalige koninklijk paleis, rechts het uitbundige parlement met duizend lampen verlicht, in de verte links op de Gellert heuvel ‘de visvrouw’ (het vrijheidsbeeld met de vrouw die er uitziet alsof ze een kampioensvis de lucht in steekt) en onder je de nooit aflatende stuwende kracht van de Donau. Dat alles weerspiegeld in het zwarte water – het is een panorama dat mij iedere keer weer een geluksgevoel geeft. ’s Nachts van het laag gelegen Pest over de brug richting de zeven heuvels van Boeda rijden voelt simpelweg goed. Van de vlakte, door dit theatrale decor, de geborgenheid van de heuvels intrekken.</p>
<p>Boeda ligt ten westen van de Donau, Pest ten oosten. Pest waar de orthodox-christelijke wereld begint, Pest dat voelt alsof het op zandgrond gebouwd is, Pest waar het moderne Boedapest ligt, het stadsdeel dat iets meer dan een eeuw geleden uit de grond schoot, waar de boulevards door Hausmann ontworpen lijken, waar het nachtleven is: de casino’s, de bordelen en de alternatieve buitenbars, waar de winkels zijn, waar het politieke centrum van het land huist, waar de Joodse wijk is en de Griekse handelaren hun huizen bouwden, waar het achtste district de zigeunergetto’s herbergt, waar in het begin van de twintigste eeuw meer dan zeshonderd koffiehuizen stonden, waar de schrijvers, de journalisten, de politici; de Serviërs, de Roemenen, de Tsjechen, de Ruthenen, de Oekraïners, de Bosniërs, de Joden, de Swaben en de Hongaren bij elkaar kwamen.</p>
<p><strong>Bouwwoede<br />
</strong>Na de Ausgleich met Oostenrijk in 1867, en het ontstaan van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, beleefde Hongarije, en in het bijzonder Boedapest, tot de Eerste Wereldoorlog haar gouden decennia. Boedapest moet in die periode uitstekende stadsarchitecten gehad hebben, dat zij de razende bouw en de ongebreidelde dadendrang van de oude en de nieuwe Hongaren hebben weten te temmen en sturen tot de ritmische en weelderige straten die Pest kenmerken. De rijkdom die met de dubbelmonarchie kwam, de voorkeurspositie binnen het Habsburgse rijk voor de Hongaren en de afzetmarkt van tientallen miljoenen rijksgenoten, de opkomst van het nationale sentiment en de behoefte die om te zetten in bouwwerken; de drang van de nieuw opkomende middenklasse om zich te manifesteren en de aristocratie naar de kroon te steken; en de noodzaak voor die heersende klasse om haar hegemonie te tonen, bracht een bouwwoede teweeg die haar weerga in Europa nauwelijks kent. In een tijdsbestek van enkele tientallen jaren werd Pest met alle fraaie gebouwen (de opera, de dierentuin, het Szechenyi bad, het Gellert hotel, het parlement, de Andrassy ut, het nationale museum, de academie der wetenschappen, het museum van toegepaste kunsten, de beurs, de bruggen, de metro, de centrale markthallen (door Eiffel), de drie grote stations, enzovoort) uit de grond gestampt. De treinstations, tempels voor reizigers, met de enorme glazen overspanningen; het Oost station, het Noord station, het Zuid station – ja helemaal zoals met het Monopolyspel, bijna – geven aan dat Boedapest de ambitie had een wereldstad te zijn, een stad waar de lijnen uit alle windrichtingen van het rijk bijeen kwamen. Boedapest lag centraler dan Wenen in het Habsburgse Rijk van de twintigste eeuw. Boedapest werd in korte tijd van een provinciale stad een mondaine, multiculturele metropool, bewoond en bezocht door een veelheid aan volken, die in de overvloed en de euforie van het moment elkaar stimuleerden en bijdroegen aan de explosieve groei en de rijkdom van de stad.</p>
<p><strong>Haastklus<br />
</strong>Dat de stad met zo’n krankzinnige snelheid kon groeien in enkele jaren kwam mede doordat het gefinancierd werd door particulieren. De Boedapester stadsarchitecten zetten doordachte en heldere regels uit, over hoogte van gebouwen, verdiepingen, raampartijen, binnenplaatsen, trappenhuizen. Binnen die strenge regels had de eigenaar-opdrachtgever van het gebouw grote vrijheid te variëren. De gebouwen van Pest zijn voor het grootste deel dozen waar elementen tegenaan geplakt werden die de gebouwen zouden onderscheiden van die van de buren, en ze bij voorkeur overtreffen. De Zsolnay fabrieken in Pecs bakten in reusachtige ovens voor een belangrijk deel: kozijnranden, gevelversierselen, dakpannen, neppilaren. Voor een liefhebber van antieke steden kan Boedapest door dit plak- en sierwerk, architectonisch overkomen als een haastklusje zonder geschiedenis en diepgang, en het is waar: het was een haastklus met als deadline de milleniumviering van 1898. Die haastklus is geweldig gelukt. Hongaren zijn meesters in haastklusjes, het zijn geboren deadlinewerkers. Pest bestaat uit façades en die façades zijn met de Hongaarse drang tot imponeren prachtig gelukt. De schoonheid, elegantie en de grandeur van Pest, en de eenheid van idee, maken de stad tot een plezier om te zijn. De stad, op wat recente idioterieën na, klopt. Voor de diepgang, voor de geschiedenis, moet men in de Boedazijde van de stad zijn. De geschiedenis toont zich in de alom aanwezige Romeinse ruïnes, de thermen uit de Ottomaanse tijd, de burcht en de barokke huizen in Obuda. De letterlijke diepgang vindt men in de burcht, waar de huizen onder de grond meer verdiepingen tellen dan erboven. De drie of vier verdiepingen van kelders waren de reden dat aan het eind van wo ii veel Boedapesters naar de burcht vluchtten toen de Russen naderden. Mysterieus of niet, aan de Boedazijde van de stad wordt in deze tijd de voorliefde voor kelders voortgezet: het belangrijkste bij elk nieuw gebouwd huis lijkt de ondergrondse garage te zijn. Het moet te maken hebben met de lange geschiedenis van invasies door buitenlandse mogendheden – de Ottomanen, de Habsburgers, de nazi’s, de Sovjet-Russen – dat de Hongaar zo hecht aan het ondergrondse deel van zijn huis. Men kan er schuilen en vluchten, en bijkomend voordeel is dat men ongezien voor de buren of andere pottenkijkers wat dan ook het huis kan binnenbrengen. De psychologie van het stiekeme.</p>
<p><strong>Schaduw<br />
</strong>Doordat aan de Boedazijde de zeven heuvels liggen, en deze heuvels voornamelijk bestaan uit het poreuze, grillige kalksteen is deze zijde van de stad bij uitstek het schemergebied welk de natuurlijke biotoop voor de Hongaar geworden is na eeuwen van buitenlandse overheersing. De Hongaar is als een paddestoel, die het best gedijt in de schaduw. Een ieder die het zich kan permitteren verhuist dan ook naar de Boedazijde van de stad, waar het makkelijk holen hakken is in het zachte steen. Deze ingesleten, wijdverbreide aanleg voor de illegaliteit maakt dat de Boedapesters elkaar in hoge mate met rust laten (toen wij in onze straat van zes huizen kwamen wonen nodigden wij, goeiige Hollanders, de hele straat uit voor drankjes op het terras; het bleek dat er mensen waren die al veertien jaar naast elkaar woonden zonder elkaar ooit ontmoet te hebben) – en deze afstandelijkheid ervaar ik als uitermate prettig.</p>
<p>Wanneer je de architectuur in en rond Boedapest van de afgelopen vijftien jaar beziet, besef je dat traditie en cultuur nauwelijks bewaard zijn (tenminste niet bij de mensen die over geld beschikken) en overheidsfunctionarissen handelen als in een bananenrepubliek. Goedkeuring van plannen en het winnen van tenders heeft meestal niet met evenwicht en kwaliteit van het ontwerp te maken, maar met connecties, Cypriotische bankrekeningen, ijskasten, plasmatelevisies en auto’s voor overheidspersoneel. De villa’s van de nieuwrijken in de buitenwijken van Boedapest zijn megalomane lusthoven van bordkarton, gipsplaat en goudverf. De krankjorume architectuur van die nieuwe wijken legt de ziel bloot van het huidige Boedapest: men heeft grootse ideeën, men verlangt naar eigen ruimte en privacy, maar middelen, kennis, juiste overheidsrichtlijnen en rechtvaardige bureaucratische behandeling ontbreken. Maar in zekere zin is het ook de beminnelijke chaos die, naast de onvermijdelijke ergernis en temporale frustratie, voor de bevoorrechten – de relatief rijkere burger, zoals wij, westerlingen – een grote mate van vrijheid brengt. In deze stad kan alles.</p>
<p><strong>Tophoer<br />
</strong>Kort geleden ontmoette ik op een receptie een dame, ze had hooggehakte open schoenen, paars gelakte teennagels en een gouden kettinkje om haar enkel. Haar hele lichaam en outfit vertoonde eenzelfde mate van verzorging. Ze zag eruit als een poppetje. Ik schatte haar op achterin de veertig. Ze was half Frans, half Grieks. Toen ik vroeg wat zij deed voor de kost vertelde ze dat ze de nieuwe premier van Hongarije werd. Ze zei het bloedserieus. Eerder was me al eens verteld dat je voor twaalf miljoen euro president van Hongarije kon worden, dus ik kijk nergens van op. Even later vond ik uit dat de charmante mevrouw de tophoer van Boedapest was: ze sliep met alle hoge politici tot en met leden van de ministerraad aan toe. En eigenlijk verheugde mij dit, niet alleen omdat het mooi is dat je als je bijna vijftig bent nog de top callgirl van de metropool kan zijn, maar vooral omdat zij niet Hongaars was. Boedapest was altijd een stad van reizigers en vreemdelingen, Boedapest vierde zijn triomfen toen het functioneerde als smeltkroes. Dat is waar Boedapest naar terug moet. De Boedapester callgirl gaf een glimpje hoop.</p>
<p><strong><img class="size-full wp-image-5176 alignleft" title="Jaap Scholten" src="http://eeuwvandestad.nl/wp-content/uploads/2009/09/5079.jpg" alt="Jaap Scholten" width="113" height="169" />Jaap Scholten</strong> (Enschede, 1963) is schrijver en kunstenaar. Hij debuteerde in 1990 met de verhalenbundel <em>Bavianehaar &amp; chipolatapudding</em>. Sindsdien concentreert hij zich op het schrijven, onder andere ook van scenario’s. In 2008 verscheen zijn roman <em>De wet van Spengler</em>. Scholten woont sinds 2004 in Hongarije. Hij schrijft onder andere voor <em>NRC Handelsblad</em> columns en brieven.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://eeuwvandestad.nl/archives/5079/feed</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>

